Lubbers 'gewoon' naar Dalfsen en Deventer

DEVENTER-DALFSEN, 20 jan. - Nederland is in een oorlog betrokken, ambassades en overheidsgebouwen worden strenger bewaakt, maar premier Lubbers wandelde gistermiddag alleen de Grote Kerk van Deventer binnen.

Hij moest er een bijeenkomst van bewonersgroepen uit achterstandsgebieden toespreken. Voor zijn dienstauto had een motoragent gereden; dat was alles. Lubbers houdt van low-key. Burgemeester Waal van Deventer was nerveuzer geweest. Bij de IJssel was de premier opgewacht door een politiewagen met twee parkeerwachten om hem de weg te wijzen.

Van het kabinet moet dezer dagen geen crisis- of oorlogsstemming uitgaan, en dus was Lubbers gewoon gekomen. Onder het motto sociale vernieuwing was de kerk volgezet met kraampjes waarin kleine exposities van geslaagde projecten. De premier liep er ontspannen rond, accepteerde attenties van gevleide buurtbewoners en hield een geimproviseerde toespraak.

Maar net als bij zijn tweede voordracht, anderhalf uur later in Dalfsen bij het CDJA, was te horen hoe hij naar eigen zeggen “gevangen was geraakt” in de gebeurtenissen in de Golf. Aan de CDA-jongeren vertelde hij al voor het eerste schot viel op woensdagavond uit een voorgevoel aan de televisie-speech ('de wapens spreken') te zijn begonnen. En hoe hij bij herlezing op donderdagochtend had geconstateerd niks over de moeilijke beslissing van Bush te hebben geschreven en ook het “arme Iraakse volk” niet eens te hebben genoemd. Die hoorden er toch ook bij.

Het “erbij horen” werd het uitgangspunt voor een typisch Lubbers-verhaal over de taak van de evangelische politiek, waarin het volgens de premier niet gaat om “het hier, nu en wij” maar ook om “de ander”. De wandeling in de Grote Kerk langs de kraampjes met sociale vernieuwingsprojecten had hij “een feest” gevonden. Om daar te zien hoe buurtbewoners “elkaar vasthouden”, hoe men daar laat zien “dat ieder de mens de moeite waard is”, hoe men elkaar “aanspreekt om de handen uit de mouwen te steken”. Het was hem uit het hart gegrepen. Tegen de bewonersgroepen in de kerk had hij gezegd zeer getroffen te zijn door het feit dat er “samen, van onderop” iets werd aangepakt. “Wij bestuurders kunnen dat in Den Haag niet in een regeling vangen”. Lubbers had het vergeleken met een pannetje water op het vuur, waar opeens iets begint te bruisen en te leven. Hij had de trots gezien, het zelfvertrouwen en het geloof van de bewonersgroepen. Om daarna langs de ondergelopen uiterwaarden van Deventer naar Dalfsen te rijden met oorlogsnieuws uit de autoradio, was “een heel wonderlijke ervaring”. Het waren “twee realiteiten”, die hem tot bezinning brachten over de rol van de politiek.

Met menige verwijzing naar “degene die ons geschapen heeft”, de normen “die ons binden” en de geschiedenis “waarin wij gezamenlijk staan”, schilderde Lubbers vervolgens een beeld van de internationale gemeenschap waarin “de betrokkenheid van de volkeren op elkaar” sterk was toegenomen. Het Golfconflict zag hij positief. Het was een kans om de plaats van de Veiligheidsraad “meer inhoud te geven. Als dat avontuur slaagt - en dat moet - dan is het een ereplicht om daarna die internationale rechtsorde ook op andere punten inhoud te geven”. Het gevoel bij elkaar te horen wordt in de wereld steeds meer herkend, meent Lubbers. “Dat is het boeiende van deze tijden”. Het is dan de taak van de politiek die integratie te bevorderen: in evangelische termen “helen wat gebroken is”. Als concrete voorbeelden noemde hij milieubescherming en ontwikkelingssamenwerking.

Eigenlijk, zo vindt Lubbers, is in de jaren negentig een dubbele sociale kwestie actueel. “In ons eigen land, waar we een fantastisch hoog welvaartsniveau hebben en tegelijkertijd worstelen met de vraag - hoe komt ieder tot ontplooiing. Hoe voorkomen we dat de deken van regels leidt tot bevoogding, tot bureaucratie. Op de WAO waren we destijds trots en nu we het resultaat zien, niet meer. Mondiaal is er ook een sociale kwestie. Dat 'samen onderweg zijn' zullen we vooral in internationaal perspectief moeten gaan zien. Het is meer dan hulp geven. Het is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Dat gaat nog decaden duren, dat is een enorme uitdaging. Daar ligt het hart van onze politieke beweging.”