Koeweit kon zich topstukken veroorloven

De islamitische collectie van Koeweit is niet meer dan twintig jaar oud, maar toch had het Nationaal Museum van Koeweit het neusje van de zalm in huis. Vanaf 1970 kocht de nu in ballingschap levende, regerende familie Al-Sabah de belangrijkste islamitische kunstwerken die opdoken in de internationale kunsthandel. Financiele belemmeringen bestonden niet.

In 1983 kreeg de collectie van inmiddels zevenduizend stukken, daterend van de zevende tot en met de negentiende eeuw, onderdak in het nieuwe Nationaal Museum van Koeweit, een zeer modern geoutilleerd gebouw met een studiecentrum en uitgebreide bibliotheek. Tot augustus vorig jaar konden de Koeweiti's de collectie dagelijks bezichtigen: van duizend jaar oude, met bladgoud geillumineerde handschriften tot negentiende-eeuwse keramiek, afkomstig uit alle islamitische windstreken, dus ook uit Marokko, India en Andalusie (Spanje) dat tot in de vijftiende eeuw onder islamitische heerschappij stond.

Niet bekend

“Zoals de Russische en Amerikaanse soldaten destijds Duitse kunstschatten mee naar huis namen, zo zou het me niet verbazen als Iraakse soldaten hetzelfde met het Koeweitse bezit hebben gedaan”, zegt Almut von Gladiss, conservator van het Museum fur Islamische Kunst in Berlijn, een vooraanstaand museum op dit gebied, dat nauwe banden met het Koeweitse museum onderhield. “Nog steeds is er veel zoek. Ik kan me voorstellen dat hetzelfde met de Koeweitse collectie gebeurt.”

Bij toeval zijn honderd voorwerpen bewaard gebleven. Ze werden kort voor de Iraakse inval van 2 augustus 1990 verzonden naar de Hermitage in Leningrad, waar een tentoonstelling zou worden ingericht. Het gaat om topstukken uit de verzameling, want de Koeweitse regering schroomde niet om 'het beste' aan het buitenland in bruikleen te geven. Ze zijn daar (nog) niet te zien geweest.

Geen enkel land in het Midden-Oosten of Azie beschikte over zulke hoogwaardige islamitische voorwerpen als Koeweit. “Musea in Kairo en Istanbul kunnen volstrekt niet met de Al-Sabah collectie wedijveren, en Teheran helemaal niet”, aldus Almut von Gladiss. In het westen is de islamitische cultuur uitvoerig vertegenwoordigd in het Louvre in Parijs, het British Museum in Londen, het Metropolitan in New York en de Freer Gallery of Art van de Smithsonian Institution in Washington.

De Koeweitse verzameling omvatte handschriften, gouden en zilveren sieraden, edelstenen, ivoor, glaswerk, keramiek, textiel, borduursels, tapijten en bronzen vaatwerk, ingelegd met goud en ivoor. Onder de edelstenen bevindt zich een smaragd van 254 karaat; de gouden juwelen dateren uit de elfde tot de dertiende eeuw; een van de bergkristallen objecten is een schaakspel uit de tiende eeuw; de keramiek-verzameling laat een ontwikkeling van duizend jaar zien; de geschilderde miniaturen, waarop vaak vorsten en hovelingen met hun harem werden afgebeeld, dateren van de dertiende tot en met de zeventiende eeuw. Veel waarde hechtte de familie Al-Sabah aan de vroege Koran-manuscripten en gebedenboeken met een hoogwaardige kalligrafie en ornamentiek.

In het afgelopen najaar ontving een groot aantal Westerse musea een brief uit Londen van de Al-Sabah-familie met het verzoek in de kunsthandel alert te zijn op mogelijke aanbiedingen van de verdwenen stukken, herkenbaar aan stempels en specifieke aanduidingen. Vanwege hun uitzonderlijke kwaliteit zijn ze moeilijk te verhandelen. Een terugkeer van de objecten naar Koeweit acht Almut von Gladiss onwaarschijnlijk: “Men zal er, net zoals in Duitsland, lang, heel lang, op moeten wachten”.