Geestdrift voor Goede Zaak is na Vietnamoorlog gering; Nachtmerrie in Oakland

“Morgen opnieuw een stralende dag in Californie, met maxima van rond de 23 graden”, zegt de weerman, “en dan nu de weersvoorspelling voor de Perzische Golf: 16 graden en regen.” De Amerikanen leven sinds de oorlog in twee werelden: Amerika en de Golf. Nog maar een paar dagen geleden werd in de 'phone-in' radioprogramma's gepraat over slechte auto's, daklozen en het trage herstel van de snelwegen na de aardbeving, nu is het: “Ik wil mijn zoon, mijn man levend terugzien.”

Opeens staat de oorlog middenin de huiskamer en de reacties zijn op zijn zachtst gezegd gemengd. Uit een enquete van de Washington Post en ABC News blijkt dat drie van de vier Amerikanen van harte instemt met de militaire aanval van president Bush op Irak. Maar er zijn ook anderen. Brenda Reed, bij voorbeeld, uit Oakland, die 20 jaar geleden haar man verloor in de Vietnamese oorlog. “Ik werd trillerig, misselijk, alsof het allemaal weer terugkwam.” En Lennard McNeal, een Vietnam-veteraan: “Ik blijf mijlen bij de televisie vandaan, ik kan er niet naar kijken, ik weet het zo wel, en de helft vertellen ze niet.”

In de kerken worden nachtwakes gehouden en in steden als Washington, Atlanta, Austin, Boston, Berkeley en San Francisco en New York gaan honderden, zo niet duizenden demonstranten de straat op. In New York is de Brooklyn-brug enige tijd versperd geweest en in San Francisco blokkeerde een duizendkoppige menigte de Bay Bridge en de Highway 101. Later op de avond werden in San Francisco pogingen gedaan het kantoor van de federale regiring te omsingelen. Bij de daaropvolgende ongeregeldheden gingen drie politieauto's in vlammen op. Er werden 400 arrestaties verricht.

De massaliteit van de oorlogsdemonstraties heeft velen verbaasd - niet in de laatste plaats de organisatoren zelf. Een van hen, Edith Laub: “In de Vietnam-tijd kostte het ons drie jaar om menigten van een dergelijke omvang op de been te krijgen. Nu hebben we er niets voor hoeven te doen.” Het Vietnam-trauma heeft volgens haar bij de Amerikanen veel dieper doorgewerkt dan men zelfs bij de vredesbeweging ooit gedacht heeft. “Kijk maar eens naar de ingehouden toon op de televisie. Zelfs veel conservatieve commentatoren praten niet zo gemakkelijk over oorlog. Sinds Vietnam weten we blijkbaar beter wat dat inhoudt.”

Opvallend is ook de samenstelling van het demonstrerende publiek: veel jongeren en studenten, maar ook heren in bankierspakken en secretaressen met pumps en parelkettingen. Na de eerste bombardementen is er op straten en in winkels een duidelijke opluchting merkbaar. Voor de strijd verwachtten de meeste Amerikanen nog dat het een lange oorlog zou worden, na de eerste successen dachten twee van de drie dat het tot een kortstondig conflict beperkt zou blijven, maar na de aanvallen op Israel beginnen de meesten weer te twijfelen. Van een overwinningsroes is dus nog geen sprake. In tegenstelling tot de Vietnam-oorlog is bovendien zowel bij voor- als tegenstanders iedere vorm van geestdrift voor een 'Goede Zaak' ver te zoeken.

“Het is onze oorlog niet, wat kan het ons schelen”, zegt een 17-jarige leerling van de Castlemont Highschool, midden in het zwarte getto van Oakland. “Maar het zijn wel onze vaders, onze ooms en onze broers en zusters die er in mee moeten vechten.” “Het is altijd weer hetzelfde: de rijken hebben een conflict, maar wij moeten de oorlog voeren”, meent haar buurman. Er wordt geapplaudisseerd. De jongens om hem heen heben onderling al afgesproken dienst te weigeren, mochten ze onverhoopt opgeroepen worden. “Gevangenisklanten moeten ze trouwens ook niet hebben.”

In de twee klassen waarmee ik praat heeft bijna iedereen wel een familielid dat meevecht. Meer dan de helft van de Amerikaanse troepen in Saoedi-Arabie bestaat uit zwarten en zogenaamde 'hispanics'. De regering heeft de laatste jaren vooral militairen uit minderheidsgroeperingen geprobeerd te recruteren en niet zonder succes: voor de betrokkenen was het vaak de enige manier een opleiding te krijgen en uit de armoede- en werkloosheidsspiraal van het getto te komen. In de klassen blijkt echter maar een leerling werkelijk voorstander van de oorlog te zijn. De rest is tegen - of beter: wil er niets mee te maken hebben. “Laten ze dat geld aan woningen en gezondheidszorg en goed onderwijs besteden”, zegt het meisje. “Kijk zelf maar.” Ze wijst op de kringen in het plafond en op de muren waar hier en daar het water naar beneden druipt als het regent.

In het centrum van Oakland is ondertussen alweer een kleine demonstratie aan de gang. Een jongen met paars haar, een boekhouder, een grootmoeder, een invalide die een rolstoel met zijn tanden bestuurt en nog zo'n 300 mannen en vrouwen lopen met hun borden rond het stadhuis. De leuzen zijn eenvoudig: No war. Oil is Blood. En: Who Brings My Son Back. Ik loop een eindje op met Vietnam-veteraan Lennard McNeill. “Eerlijk gezegd word ik van binnen verscheurd”, zegt hij. Hij is absoluut tegen de oorlogspolitiek van Bush. “Maar die jongens, dan, dat zijn onze jongens.” Hij weet precies wat ze voelen, nu de meeste grondtroepen nog steeds moeten wachten. “Vechten, dan weet je waar je aan toe bent. Maar dat wachten, die onzekerheid over hoe het zal zijn, dat is het allerergste. Dat is wakker worden uit een nachtmerrie, en dan beseffen dat de nachtmerrie in werkelijkheid nog moet beginnen.”

Brenda Reed loop ik er ook weer tegen het lijf. Ze draagt het Purple Heart - de postume onderscheiding van haar man - op de rever en ze draagt een Amerilag op zijn kist. Dat is het enige wat ik nog van hem heb. Niks dus.” Ze is sinds de dood van haar echtgenoot tegen elke vorm van oorlog: “Toen kon ik niet protesteren, en er zelfs niet over nadenken. Mijn man zat aan het front en die wilde ik niet afvallen. Maar nu doe ik het wel. Gewoon omdat ik niet wil dat ooit nog een vrouw zal overkomen wat mij gebeurd is: dat er op een winterse middag een officier je tuinpad op komt lopen, en aanbelt.”