Amerikaanse 'wonderwapens' minder goed dan gedacht; Mobiele Scud-B is als een naald in een hooiberg

ROTTERDAM, 20 jan. - Na de euforie van de eerste dagen maakt zich van het publiek een zekere teleurstelling meester over de prestaties van de Amerikaanse wonderwapens. De meeste Iraakse vliegtuigen staan nog onbeschadigd in de ondergrondse schuilkelders of in verborgen hangars in de oostelijke bergen, Amerikaanse bommenwerpers keren terug met volle rekken omdat de piloten hun doelen niet kunnen vinden, opperbevelhebber Schwarzkopf noemt het vinden van de Iraakse mobiele Scud-B lanceerinrichtingen vergelijkbaar met 'het zoeken naar een naald in een hooiberg' en de Scud-B raket zelf blijkt als hij eenmaal is afgevuurd nauwelijks te onderscheppen. Is dat nu het puikje van de technologie van een natie die zeven jaar geleden door haar president een 'waterdicht ruimteschild tegen Sovjet-raketten' werd beloofd?

Inderdaad, zo gebrekkig is de huidige wapentechnologie nog steeds. En als het straks in het Golfgebied gaat regenen, zal blijken dat de jagers met hun slimme bommen nog vaker onverrichterzake op hun basis of vliegdekschip terugkeren omdat de piloot, ondanks alle elektronica en optische hulpmiddelen, zijn doel niet kon vinden en het dus ook niet kon uitschakelen.

Voor sommige tekortkomingen is een eenvoudige verklaring te geven. Zo is het falen van de Patriot als anti-raket-raket weinig verwonderlijk. Tot voor kort was het op grond van overeenkomsten tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie verboden om een bepaald, bruikbaar antiraketsysteem operationeel te hebben. Het aanpassen van de Patriot, die aanvankelijk alleen tegen vliegtuigen was ontwikkeld, heeft enkele jaren geleden veel commotie veroorzaakt. Met het geschikt maken van de Patriot voor het uitschakelen van raketten voor middellange afstanden zouden de VS de akkoorden schenden, zeker als deze in Europa gestationeerd zouden worden.

De Nederlandse Patriot is slechts zeer beperkt inzetbaar tegen raketten en het is de vraag of ook Israel over een betere versie beschikt. En zelfs als dat het geval is, verkeren de Israeliers in een zeer onvoordelige positie. De Scud-B is een eentrapsraketsysteem dat na het uitbranden van de 'booster' als een koude bom uit de ruimte naar beneden valt. Na de 'boost fase' is infrarooddetectie nagenoeg onmogelijk, waardoor alleen radardetectie overblijft.

Omdat de Israeliers geen grondradar op Jordaans grondgebied kunnen plaatsen, kijken zij zo goed als tegen de neus van deze gestuurde bom aan, die daarmee een zeer slecht radarbeeld geeft. De geslaagde onderschepping van een Scud-B door een Amerikaanse Patriot, afgelopen vrijdag, zou wel eens te danken kunnen zijn aan ondersteunende grondradar.

Het terugkeren met volle bommenrekken is een betrekkelijk nieuw beeld in de oorlog. In de Tweede Wereldoorlog werden de bommen meestal afgeworpen, ook al had de piloot zijn doel niet bereikt - het IJsselmeer lag er vol mee. De reden was dat de bommenwerpers vaak onvoldoende brandstof hadden om met hun zware bommenlast terug te keren, de piloten waren bang dat ze te langzaam en te log waren voor een aanval met jagers, of nog simpeler: ze waren bang voor een landing met volle bommenlast.

De tegenwoordige 'slimme bommen' kunnen niet meer ontploffen bij een wat ruw uitgevallen landing en ze zijn te duur om zomaar af te werpen bij een niet-geslaagde missie. In tegenstelling tot de ruwe 'bommentapijten' van de zware B-52's ligt de kracht van de slimme wapens in de precisie waarmee zij het doel uitschakelen, bij voorkeur een commandocentrum, een lanceerinstallatie of een radarpost.

Is het doel eenmaal gevonden en is het richtkruis eenmaal op de zwakste plek van het doelwit gelegd, dan is het slechts een kwestie van een druk op de knop. De videobeelden van een laser-geleide bom die de deur van een Iraakse hangar doorboort waren wat dit betreft overtuigend. Maar een probleem blijft: de piloot moet het doel nog wel steeds zelf opzoeken.

Stationaire doelen kunnen door satellietverkenning al lang van tevoren in kaart zijn gebracht, waardoor piloten ze met behulp van het Global Positioning System in principe tot op enkele meters nauwkeurig zouden moeten vinden. Maar het probleem blijft visuele herkenning. Wie in een F-111 met 3.000 kilometer per uur over de woestijn raast, heeft niet veel tijd om een goed ingegraven hangar te vinden. Zien ze het doelwit niet, dan kunnen de piloten ook hun laser nergens op richten. Dit in tegenstelling tot het kruisvluchtwapen dat rustig met 800 kilometer per uur komt aanvliegen, het terrein 'afscannend' en vergelijkend met de informatie in zijn geheugen, om ten slotte tot op enkele meters nauwkeurig zijn bom op de voorgeprogrammeerde coordinaten af te leveren - of niet natuurlijk, maar dat valt meestal niet na te gaan.

Ten slotte het teleurstellende feit dat het overgrote deel van de Iraakse vliegtuigen nog intact zou zijn, teleurstellend voor het publiek althans, want voor militairen komt deze mededeling in het geheel niet als een verrassing.

De verklaring waarom het merendeel van de Iraakse vliegtuigen nog onbeschadigd is, is eenvoudig dat vernietiging tot dusverre ook niet de opdracht van de geallieerde luchtmacht was. Een vliegtuig is militair gezien uitgeschakeld als het niet in de lucht komt. Om de eigen verliezen te beperken was het daarom de eerste uren van het grootste belang dat de Iraakse jagers uitgeschakeld werden, en dat is gelukt met het bombarderen van de vliegvelden. De vliegtuigen zelf, diep verborgen in zware bunkers, waren daarbij niet het doelwit, maar de startbanen. Door het uitwerpen van mijnen werd voorkomen dat deze snel weer hersteld konden worden. Hoewel het in principe niet nodig is om de Iraakse toestellen zelf uit te schakelen, zou dat moeten gebeuren door precisie-bombardementen met zeer zware bommen, iets waarvoor de geallieerden zich tot dusverre de tijd nog niet hebben gegund.

    • Rob Biersma