Aangehouden AVR-werknemer betreurt zakendoen met Boxtelse 'afvalkoning'; Afvalbedrijf werd gewaarschuwd

ROTTERDAM, 20 jan. - De nv Afvalverwerking Rijnmond (AVR) doet vanaf de vroege jaren '80 zaken met de Boxtelse 'afvalkoning' Van H., die dinsdag werd gearresteerd. Hij wordt ervan verdacht op grote schaal clandestien chemisch afval in Belgie en Noord-Frankrijk te hebben gedumpt.

In 1987 is de president-commissaris van AVR, de Rotterdamse wethouder P. Hoogendoorn, op de hoogte gesteld van Van H.'s illegale praktijken. Hoogendoorn noch de AVR verbonden hieraan consequenties voor de samenwerking met Van H.

Een werknemer van de AVR, de 42-jarige S. uit Ridderkerk, werd afgelopen dinsdag ook aangehouden voor verhoor. S. is bij de AVR verantwoordelijk voor de afvoer van restprodukten. Hij wordt ervan verdacht medewerking te hebben verleend aan Van H.'s verboden activiteiten. De AVR kondigde vrijdag een onderzoek aan naar de betrokkenheid van het bedrijf bij de affaire.

AVR-werknemer S. werd eergisteren, anders dan Van H., op vrije voeten gesteld. S. ontkent de beschuldiging. In een gesprek met deze krant zegt hij wel: “Achteraf zijn we ten opzichte van Van H. te lang te goed van vertrouwen geweest.”

De AVR heeft via haar werknemer S. zakelijke contacten met verscheidene bv's van Van H. onderhouden. Ze zijn voornamelijk gevestigd op Van H.'s huisadres in een florissante nieuwbouwwijk van Boxtel. Dit woonoord steekt qua entourage scherp af bij de vervallen loods op een industrieterrein in Den Bosch, die blijkens stukken van de Kamer van Koophandel onderdak biedt aan weer een andere bv uit het Van H.-netwerk: Zapro. Dat is een van de bedrijven waaraan de AVR in ieder geval tot 1988 reststoffen uit de verbranding van afval leverde. Deze stoffen, zogenoemde 'slakken', bevatten in veel gevallen zware metalen die schadelijk zijn voor het milieu.

In 1985 hielp Zapro de AVR af van een probleem. S.: “Er lag bij ons in de Botlek een enorme voorraad slakken van chemisch afval. Het had zich anderhalf jaar lang opgehoopt, we konden ze nergens kwijt. Van H. had een oplossing. Hij kon de slakken in het Waalse Moeskroen verwerken, zei hij, en daar heeft de AVR ja op gezegd. Nu blijkt dat Van H. daarmee fouten heeft begaan. Hij had geen vergunning voor export naar het Waalse gewest. Hij had wel documenten maar de vraag is of die authentiek waren. Hiervan heb ik nooit geweten. De AVR evenmin. Het is me pas de afgelopen week gebleken.”

Ook de Roteb, de Rotterdamse reinigingsdienst, zette slakken af bij Zapro. Van H. meldde de Roteb in 1987 dat hij het afval legaal kon leveren aan een wegenbouwer in Brussel. Die zou het gebruiken als materiaal om wegen op te hogen. Een medewerker van de Roteb vertrouwde Van H. niet en volgde de vrachtwagens die de slakken van de Roteb naar Belgie transporteerde. “Toen bleek dat Van H. zijn spullen in het geheel niet naar Brussel bracht”, zegt adjunct-directeur H. A. Terburg van de Roteb. “Ze werden ergens in Vlaanderen gestort.”

De Roteb vroeg uitleg bij Van H. Deze stelde het door hem ingehuurde transportbedrijf aansprakelijk. De Roteb gaf Van H. daarop een nieuwe kans. Andermaal bleek bij een achtervolging dat de man uit Boxtel zijn afspraken niet nakwam. “Toen was de samenwerking over”, aldus Terburg.

De Roteb liet het daar niet bij. Eerst deed het bedrijf aangifte bij de Belgische officier van justitie P. Morrens, die Van H. korte tijd vasthield voor verhoor. Vervolgens maakte de Roteb melding van de kwestie bij de verantwoordelijke Rotterdamse wethouder P. Hoogendoorn. Hij is op grond van zijn functie tevens president-commissaris van de AVR.

Hoogendoorn kondigde daarop destijds “een onderzoek” aan. Nu laat hij via zijn woordvoerder weten dat dit onderzoek bestond uit een brief en enkele telefoontjes aan de Belgische procureur Morrens. De Rotterdamse wethouder kreeg daarbij te horen dat Morrens “het niet nodig achtte” met hem in contact te treden, waarna Hoogendoorn vaststelde dat de Belgische justitie onvoldoende bewijzen tegen Van H. kon inbrengen. De samenwerking van AVR met Van H. kon worden voortgezet, meende Hoogendoorn, zij het dat hij AVR maande “extra zorgvuldig” te zijn.

Dat Van H. in zee was gegaan met de in opspraak geraakte Belgische afvalmakelaar Etienne van der Voorde, was volgens S. voor de AVR ook geen reden met Van H. te breken. S.: “Ik heb steeds aan de directie gevraagd: zullen we doorgaan of stoppen met Van H.? Dan zei de directie: doorgaan. Ik was het daarmee eens. Zolang iemand niet is veroordeeld, is hij niet schuldig. En vergeet niet dat we bij de AVR onder druk stonden van de massa verbrandingsresten die we niet kwijt konden. Vroeger ging alles naar Belgie. Later nog even naar Noord-Frankrijk. Maar de regelgeving werd ook daar steeds stringenter, waardoor onze problemen almaar toenamen.”

Intussen had S. zelf met instemming van zijn directie een, wat hij noemt, “technisch ontwikkelingsbedrijfje” opgezet, waarvan inmiddels is gebleken dat het soms ook zaken deed met Van H. “Dat is eenmaal gebeurd”, nuanceert S. “Het ging om een proefpartij aluminiumschroot uit Duitsland die ik aan Van H. verkocht om te verwerken. Van dat laatste is niets van terechtgekomen. Maar ik geef toe: ik had natuurlijk nooit prive zaken met hem moeten doen.”

S. wordt beschouwd als een van de schaarse Nederlanders die gedetailleerde kennis hebben van de toepassing van en handel in afvalslakken. Daarom werd hij anderhalf jaar geleden voor hetzelfde werk gedurende enkele dagen per week uitgeleend aan de Veabrin, de Vereniging van Exploitanten van Verbrandingsinstallaties in Nederland, een overkoepelende organisatie waarbij de meeste vuilverbranders zijn aangesloten. A. Cardon, secretaris van de Veabrin, is “verrast” te horen van de nevenactiviteiten van S. “Hij is hier formeel niet in dienst, in dat opzicht kan ik hem niets verwijten. Maar ik vind het wel vreemd dat ik van niets weet.”

Met de firma Zapro van Van H. ging het sinds 1988 bergafwaarts. Van H. kon de afvalslakken door de striktere wetgeving in Belgie en Frankrijk niet meer kwijt, waardoor de zakelijke relatie met de AVR voorlopig werd beeindigd. Maar korte tijd later kwam Van H., overigens na uitgebreid onderzoek, met een nieuwe oplossing voor de AVR. Hij ontwikkelde een procede om non-ferrometalen (zoals koper, aluminum, messing en roestvrij staal) uit de verbrandingsresten te halen, zodat een voor het milieu minder schadelijk restant overbleef. Van H. stichtte er een nieuwe bv voor: Brabant Metals, een door hem als “uniek” omschreven recyclingbedrijf in Rotterdam-Zuid, gevestigd in een hal van de voormalige scheepswerf van Piet Smit.

Bij de AVR was S. degene die Van H. opnieuw binnenhaalde. De AVR-directie ging daarmee akkoord. Volgens Van H.'s raadsman mr. C. M. G. M. van Eijndhoven was de AVR zo tevreden over zijn client dat het afvalbedrijf in de Botlek een langjarig contract met hem afsloot. “Dit loopt in ieder geval tot 1993.” Van Eijndhoven kan zich niet voorstellen dat de AVR hierop terugkomt. “Er zijn nog onlangs gesprekken geweest met de AVR om de samenwerking uit te breiden.”

Volgens woordvoerder Chevalier van de AVR staat dit laatste nog te bezien. Gewacht wordt op de uitkomsten van het justitieel onderzoek: “Wie niet zuiver op de graat is, vliegt er bij ons onmiddellijk uit.” Wat betreft de mogelijke betrokkenheid van werknemer S. merkt hij op dat deze, mocht ze al bestaan, in ieder geval “buiten de verantwoordelijkheid” van de AVR valt. “Ik ben ervan overtuigd, honderd procent, meer dan honderd procent, dat justitie de AVR niets kan maken”, aldus Chevalier.

De raadsman van S., mr R. den Hoed, wijst erop dat zijn client als werknemer van AVR “altijd heeft gehandeld volgens de richtlijnen van het bedrijf”. Met andere woorden: “Mocht er zich al iets onwettigs hebben voorgedaan, wat ik beslist niet aanneem, dan draagt de AVR de volle verantwoordelijkheid.”

S.: “Met de wetenschap die we nu hebben, hadden we als AVR natuurlijk eerder moeten zeggen: we stoppen met Van H.”

    • Tom-Jan Meeus
    • F. G. de Ruiter