Washington Post-columnist David Broder: 'Als we winnen, wat winnen we dan? '

Hij noemt zichzelf 'een brave burger', maar zijn scherpzinnige column verschijnt in zo'n driehonderd Amerikaanse kranten, en wordt zelden overgeslagen door het Witte Huis. Interview over de Golfcrisis met David Broder, commentator van de Washington Post: 'Bush heeft geen heroische kwaliteiten'.

David Broder is waarschijnlijk 's werelds enige journalist die niet wenst te worden gebeld, bezocht of anderszins lastig gevallen door de president van de Verenigde Staten. “ Vanaf het moment dat Bush presidentiele ambities kreeg werd hij een probleem voor me”, zegt de columnist. “ Tot die tijd was George gewoon een goede vriend. En Ann, mijn vrouw, onderhield een intensief contact met Barbara. Ik handelde op de enige manier die ik verstandig en ethisch verantwoord vond: ik zei dat persoonlijk contact voortaan out of the question was. Bush begreep dat het geen verloochening van onze vriendschap was, dat hij en ik conflicterende jobs hadden. De afgelopen tien jaar is ons contact dan ook honderd procent zakelijk geweest. Toch weet je met de Bushes altijd waar je staat. Ze lachen naar je of ze lachen niet naar je, je bent een prima vent of een lamstraal - afhankelijk van wat je schrijft. Ze zijn eh, vrij direct.”

Reagan belde u vaak vanaf zijn ranch om uit te leggen hoe verkeerd uw visie was. 'Zijn betogen leken hersenschimmen. Geen relatie met de werkelijkheid', zei u eens. 'Tussen zijn oren bevond zich een woestijn die schreeuwde om water.' Komt u nooit in de verleiding zulke voor een journalist goudmijn-achtige gesprekken met Bush te voeren?

“Daarvoor moet je anders gebouwd zijn dan ik. Al scheelt het me zeventig scoops, ik zou nooit de favoriete reporter van de president willen worden genoemd.” Hij wendt zich tot zijn echtgenote, aanwezig bij het gesprek in een visrestaurant vlakbij het Witte Huis: “ Bush ziet er op het ogenblik behoorlijk uit, he? De laatste tijd oogde hij afschuwelijk: vermoeid, bleek, haar door de war... Vorige week deed hij iets verstandigs. Hij pikte wat vrienden op en ging eten in een Chinees restaurant. 'After one drink he looked a hell of a lot better', vertelde een van de aanwezigen. Er werd flink gelachen, hij knapte ervan op. Zijn geestelijke gezondheid is overigens perfect, altijd geweest.”

Ik leerde David Broder enkele jaren geleden kennen tijdens een stage bij de Washington Post. Middenin het enorme redactielokaal stond Het Aquarium, het letterlijk en figuurlijk glazen huisje waarin hij zijn columns schreef. Anders dan verklaarde Post-coryfeeen als hoofdredacteur Ben 'brulboei' Bradlee en verslaggever Bob 'Watergate' Woodward toonde Broder zich een beminnelijk en toegankelijk collega, die zich net als in zijn stukken bediende van ironie en understatement.

Een decent citizen, zegt hij zelf, een brave burger die erop uit is de mechanismen van de macht te ontrafelen. Geen houwdegen die voortdurend het Witte Huis voor de laatste maal waarschuwt. 'In zijn analyses vallen sporen te ontdekken van omzichtigheid en compassie die vrij uniek zijn in Washington', constateren vakbroeders. Broder behoort tot het handjevol Amerikaanse commentatoren dat enige invloed uitoefent op het beleid van regering en president, niet in het minst omdat de columns van deze Pulitzerprijs-winnaar door zo'n driehonderd andere Amerikaanse kranten van de Washington Post worden overgenomen. Gevoelig voor kritiek uit The Oval Office beweert hij niet te zijn: “ Wat kan een president doen tegen de Washington Post en David Broder? Presidenten komen en gaan; wij zitten al heel lang in deze business, en we zullen er nog heel lang in blijven zitten. “

Broder trekt zich voornamelijk iets aan van het oordeel van Broder. Op gezette tijden wijdt hij een column aan feitelijke fouten, schutterige profetieen en achterhaalde sweeping statements van de Washington Post en hemzelf ('Met veel abacadabra vroeg ik lezers een onder 58 mensen gehouden opiniepeiling te geloven die de resultaten moest voorspellen van verkiezingen in een staat met 4, 5 miljoen inwoners. Het was belachelijk. Ik verdiende het om te worden verbrand'). “ Ik heb vaak stenen in mijn hoofd”, lacht hij. “ Gelukkig nemen de lezers ons lang niet altijd serieus.”

De columnist zit erbij als een verstrooide professor: op het moment dat hij zijn mes in de inktvis zet, kletteren de hardplastic identiteitskaarten die nog aan een ketting om zijn nek hangen op het bord. “ Rotdingen”, mompelt hij. “ De veiligheidsmaatregelen op Capitol Hill zijn momenteel absurd streng. Zonder pasjes word je aangekeken alsof je in het openbaar met een geit hebt gecopuleerd.”

Terwijl 'that big war clock was ticking all over town' werkte Broder de afgelopen maand dag en nacht in het congres en de senaat, waar hij onder andere afgevaardigden interviewde die zelf in Vietnam hadden gevochten. “ Tom Ridge, een Republikein uit Pennsylvania, heeft tegenover zijn bureau een litho hangen: een stervende soldaat blikt hem recht in de ogen - meer een schedel dan een hoofd. Ridge kijkt daar elke dag zes uur tegenaan. Voor zo'n man was het zware emotionele arbeid te besluiten dat Amerikaanse jongens de wapens moeten opnemen tegen Irak. Als ik mijn notitieblok doorblader, zie ik dat ik onophoudelijk het woord 'somber' noteerde. Somber, iedereen en alles is somber. We zitten ruim vijf maanden in deze crisis, maar gek genoeg deed zich vlak voor de oorlog uitbrak een soort donderslag-bij-heldere-hemel-effect voor.”

Lange tijd staken de volksvertegenwoordigers de kop in het zand, noteerde u onlangs.

“Ze zijn veel te laat gaan debatteren over de vraag of Amerika ten strijde moest trekken. Daardoor reageerde de bevolking plots zo geschokt: damn, het wordt echt oorlog! Onze politici hebben zich lang, te lang, blindgestaard op de begroting. Bovendien had menig Congreslid meer oog voor de eigen verkiezingscampagne - lees: het persoonlijk belang - dan voor zoiets als een mogelijke wereldoorlog. Pas toen begin deze maand het nieuwe Congres was geinstalleerd, werd het noodzakelijke debat gepland. Een debat dat ook al zo lang op zich had laten wachten doordat de president het probeerde te vermijden: hij hoopte nimmer de oorlogskaart te hoeven trekken. Een verkeerde inschatting van Bush.”

'Bush vertoont de wisselvalligheid van een acteur die zichzelf op het toneel nog moet overtuigen', schreef een correspondent voordat de gevechten uitbraken. De woede van de president over Saddam Hussein ('We trappen hem voor zijn kont') zou iets gespeelds hebben.

“Dat lijkt me eerlijk gezegd een ernstige beoordelingsfout. Bush heeft vanaf het eerste moment instinctief en dus authentiek gereageerd. Zijn gedrag spoort met de indruk die ik van hem kreeg tijdens talloze gesprekken, in de loop van een kwart eeuw met George Bush gevoerd: hij is een onverbloemd aanhanger van het idee dat er gebieden in de wereld zijn waar de VS vitale economische en politieke belangen heeft, en hij meent dat de VS moeten intervenieren als die belangen worden bedreigd. Het zou bespottelijk zijn te beweren dat het puur om morele principes gaat.

“Verder beschouwt Bush, behorend tot een generatie die getekend uit de Tweede Wereldoorlog kwam, de huidige crisis oprecht als een test voor de Nieuwe Wereldorde die na de Koude Oorlog moet ontstaan. Wat niet wegneemt dat Ann en ik ons goed kunnen voorstellen dat men het gedrag van de president niet goed 'leest'.”

“George Bush”, zegt Ann, “ maakt deel uit van een traditie waarin het ongewoon is emoties te tonen. New England, Anglo-Saxon, stiff upper lip: mensen die niet in staat zijn rechtstreeks 'Ik haat je' of 'Ik hou van je' te roepen.”

Broder: “ Hij kan zijn hart slechts weloverwogen laten spreken. Hij schreef veel intiemer aan zijn kinderen dan hij ooit tot ze sprak, vertelden ze me. Maar laten we de rol van emoties in deze crisis niet overdrijven. Het hoofd van de president is tot nu toe helder geweest.”

'Het karakter, het oordeel en de ervaring van de Amerikaanse sleutelfiguren vormen de beste garantie dat de juiste beslissingen worden genomen', schreef Broder recentelijk. Zijn column leek een lofzang: 'Het is bijna onmogelijk een kalmere, voorzichtigere, verstandigere en prudentere groep mensen te verzinnen dan de politici en militairen die de president heeft verzameld om de vragen over oorlog of vrede te beantwoorden.' De columnist stelde vast dat 'het team vrij is van de overheersende ambities, de razende ego's en de prive-agenda's die de nationale veiligheidsdebatten in de meeste regeringen tussen die van Harry Truman en Ronald Reagan pleegden te verpesten'.

“David, heb jij dat geschreven? ”, giechelt Ann Broder. Hij antwoordt quasi-stamelend. “ Mijn god... boy oh boy... dat ik zulke domme, lyrische dingen heb gepubliceerd. Dit meen je niet, protesteerden mijn lezers dan ook. Niet letterlijk, nee - wij journalisten worden ervoor betaald af en toe provocatief te zijn - maar onder mijn overdrijving schuilt wel het eenvoudige feit dat deze regering de problemen in technisch-politiek opzicht vakkundig tegemoet is getreden. Wie had ooit gedacht dat het mogelijk was langer dan vijftien seconden een coalitie bijeen te houden die bestaat uit aartsvijanden als Syrie, Egypte, Iran en Israel? Dat is een diplomatiek meesterwerk. Vervolgens verwierf Bush zich brede binnenlandse steun voor zijn Golfbeleid. Eufemistisch uitgedrukt is dat opmerkelijk. De basishouding van het Amerikaanse volk tegenover de buitenwereld komt vandaag de dag neer op: 'Laat ze hun eigen boontjes maar doppen, wij hebben genoeg problemen aan het thuisfront.' Dit land is in een heuse recessie gestort. Reeksen faillissementen, hoge werkloosheid.”

Ann Broder wijst op de 'onhandige truc' waarmee minister van buitenlandse zaken James A. Baker III probeerde zijn landgenoten duidelijk te maken dat de VS zich ook om binnenlandse redenen moesten opwinden over de bezetting van Koeweit. “ Hij legde de nadruk op de Amerikaanse werkgelegenheid die in gevaar kwam als de olietoevoer zou stokken. Alsof het om Amerikaanse baantjes draaide! Dat klonk egocentrisch, zelfs in dit land klonk dat zeer egocentrisch.”

“Een grote fout van Baker”, beaamt Broder. “ Ach, we moeten iedereen een zekere hoeveelheid nonsens gunnen. Ook uit de duizenden woorden die Bush inmiddels aan Irak heeft gewijd, zou je een prachtig lijstje bloopers en blunders kunnen destilleren. In oktober zei hij de ene morgen dat het 'natuurlijk over olie' en de andere morgen dat het 'natuurlijk niet over olie' ging. Wat Bush eveneens te verwijten valt is dat hij diverse malen de indruk heeft gewekt dat hij een persoonlijke vete, een prestigeslag met Saddam Hussein uitvecht. Daarnaast berokkende de president zijn eigen zaak schade door de dreiging van Iraakse kernwapens te overdrijven. Niet toevallig kwam die 'verspreking' nog geen 24 uur nadat enquetes hadden uitgewezen dat die factor voor veel Amerikaanse burgers een politiek van confrontatie zou legitimeren. Maar goed, zulke uitglijders zijn gelukkig uitzonderingen.”

Uw positieve toon verbaast velen hier in Washington die zich herinneren dat u Bush in '88 omschreef als iemand die nooit iets noemenswaardigs heeft te vertellen.

“Er is een verschil tussen iets te zeggen hebben en een wereldcrisis managen. Zoals de meeste Amerikaanse politici kan Bush worden gekenschetst als iemand die beter is in het handelen op korte termijn dan in het denken op lange termijn.”

Ann: “ George kent zijn eigen beperkingen, maar staat sterk in zijn schoenen. Hij is geen Richard Nixon of een Lyndon Johnson, geen opblaasballon, geen type dat zichzelf over innerlijke onzekerheid heen schreeuwt. Als zoon van een senator die fortuin in Wall Street maakte, leek hij van meet af aan de overtuiging toegedaan dat hij was geboren en opgevoed om het soort werk te doen dat hij nu doet. Voor George Bush zijn geprivilegeerde posities en leiderschap natuurlijke gegevens. In het betere milieu aan de oostkust stuit je wel vaker op die houding. Daar leeft de erfenis van het Engelse klassedenken nog sterk. Noblesse oblige.”

“Een grappige combinatie van een groot zelfvertrouwen en een niet zo groot ego”, vult Broder aan. “ Bush heeft geen heroische, ideologische kwaliteiten, meet die zichzelf ook niet aan, laat zich niet door anderen wijsmaken dat hij wel een held en een denker is. Hij verwacht te worden beoordeeld op basis van de resultaten die hij boekt, niet op basis van zijn gebrekkige retoriek. Hij is de personificatie van het Pragmatische Tijdperk; en superpragmatische mensen hebben dikwijls iets karakterloos.” Pretoogjes: “ George Bush zal nooit zijn gezicht verliezen. Hij heeft geen gezicht.”

De president lijkt ook geen Henry Kissinger naast zich te hebben, geen intellectuelen met een fenomenaal strategisch inzicht.

“Ik ben bang dat dat juist is. Er zit geen gram Kissinger-geest in de Bush-mixer. Vlak na de Bush-Gorbatsjov-top op Malta kwam Jim Baker naar de Washington Post om met een groepje redactieleden te lunchen. Het was een maand nadat de Berlijnse Muur was verkruimeld en de hele structuur van Europa begon te veranderen. Anderhalf uur lang probeerden we een idee te krijgen van het nieuwe Europa waar Baker naar streefde. Tevergeefs. Geen suggestie, geen vage contouren - niets. Zijn antwoorden waren stuk voor stuk variaties op: 'We're going to keep on keeping on. We're just going to deal with the situation as it evolves day by day.' Gewoon doorgaan jongens, en van moment tot moment bekijken wat het beste is. Tja, dat bevestigt mijn opvatting over het karakter van deze regering in haar geheel: vrijwel concept- en visieloos werkt men maar wat voor de voet op.”

Als directeuren van een warenhuis, roepen de critici.

“Zoiets. Het is een houding die ons na de Golfoorlog zou kunnen opbreken. Laatst sprak ik met een paar wijze Congresleden die zich bezorgd maken over het onvermogen of de onwil van de regering om duidelijk te maken hoe het Midden-Oosten eruit kan, zal of moet zien na de nederlaag van Saddam Hussein. Als we winnen, wat winnen we dan? Winnen we vrede, winnen we een permanente crisis in het Midden-Oosten, of winnen we zelfs een oorlog die zich in dat gebied als een olievlek verspreidt?

“Ook met betrekking tot de Sovjet-Unie lijkt er geen sprake van het type benadering waarin bijvoorbeeld George Kennan excelleerde: waar gaat het eigenlijk allemaal om? Waar willen we heen? En wat betekent dat voor de dagelijkse praktijk van ons beleid? In het Congres tekent zich overigens een stroming af die meent dat Bush zich blindstaart op Irak: we verwaarlozen dingen in de Sovjet-Unie, dingen die wellicht grotere consequenties hebben dan wat rond de Perzische Golf gebeurt.”

Als je vaststelt dat de Amerikaanse reactie na Saddam Husseins overval in grote lijnen deugt, moet je dan niet in een adem zeggen dat de opstelling van de VS tegenover Irak voor 2 augustus 1990 falikant fout was?

“Absoluut. Ambassadeur April Glaspie handelde in opdracht van de regering toen zij Irak - ondanks dreigende taal aan het adres van Koeweit - liet weten dat de VS niet van plan was zich te bemoeien met inter-arabische geschillen. Sterker: verslaggevers van de Washington Post hebben uit buitengewoon betrouwbare bron vernomen dat Glaspie de gewraakte uitlating oplas van een door de hoogste autoriteiten goedgekeurd script. Men had haar exact voorgeschreven wat ze moest zeggen.

“Ik weet dat minister van buitenlandse zaken Baker dit persoonlijk als een zeer gevoelig punt ervaart. Hij vreest dat het weer opduikt als de hele kwestie achter de rug is. Mogelijkerwijs heeft het een zeer negatief effect op zijn carriere. En terecht.”

De New York Times concludeerde enkele dagen voor de aanval op Bagdad dat het inzetten van wapens tegen Irak op korte termijn onverstandig is. 'Voorlopig is het wijze, moedige antwoord op de oorlogsvraag nee. [... ] Amerika's vitale belangen - de zekerheid van olieleveranties en de veiligheid van strategische bondgenoten - zijn niet in direct gevaar.'

“In mijn ogen waren er dwingende redenen om snel in te grijpen. Ik denk aan Israel, ik denk aan de onmogelijkheid de fragiele anti-Irak coalitie lang overeind te houden. Ik heb lang genoeg met Brent Scowcroft (nationale veiligheidsadviseur) kunnen praten om te begrijpen hoe moeilijk dat is. Bovendien waren de economische kosten van langdurig uitstel, hoe wrang het ook klinkt, te hoog.

“Hadden we niet gekozen voor een oorlog voor maart, dan zou het minstens de herfst van dit jaar zijn geworden. 's Zomers maakt de brandende zon wapens zo heet dat je ze zelfs met handschoenen aan niet kunt vasthouden. Wat bij Bush' uiteindelijke beslissing zeker meespeelde was dat hij moeilijk eind '91 kon zeggen: 'Dit is niet meer te tolereren, we gaan alsnog Irak te lijf.' Tegen die tijd beginnen de campagnes voor de volgende presidentsverkiezingen.”

“Mijn clubje ultra-liberale vriendinnen had vorige week een bijeenkomst”, zegt Ann Broder. “ Ik verwachtte dat ze zich totaal tegen Bush' beleid zouden verzetten. Maar de meiden zaten er verscheurd bij. Ze wisten niet wat ze er van moesten denken. Ze zwegen, ongelofelijk!”

Broder: “ Het grappige was dat de ultra-conservatieven zich juist tegen een Amerikaans optreden keerden. Ze begaven zich in de voetsporen van de eerbiedwaardige isolationistische Republikeinen die Ann en ik tijdens onze jonge jaren in de Mid West zo goed leerden kennen. Mensen daar haatten het idee dat de VS zich zou laten meesleuren in vervelende buitenlandse ruzies. Ik bedoel, we verhuisden hier naartoe om niet meer met die onzin te worden geconfronteerd, en nu lopen we er weer tegenaan.”

“Ach, die hard boiled rechtse jongens willen alleen maar tegen communisten vechten”, smaalt Ann. “ Als de tegenstander niet communistisch is, vergeet het dan maar. Dan kruipen ze onder het hooi.”

“Niet lachen”, vermaant Broder me. “ Het klopt. Wat natuurlijk ook meespeelt is angst, begrijpelijke angst. Ja, wat Hitler heeft gezegd: 'Oorlog is een deur openen die toegang geeft tot een stikdonkere kamer.' Dat donkere kamer-argument is in feite onweerlegbaar: een oorlog pakt doorgaans veel verschrikkelijker uit dan we ons kunnen voorstellen.”

“Sinds de Amerikaanse burgeroorlog is elke oorlog waaraan dit land besloot deel te nemen een korte oorlog genoemd”, zegt Ann. “ In werkelijkheid bleek niet een zo'n oorlog een Blitzkrieg. Senator William Cohen zei laatst: de slagvelden van de geschiedenis liggen bezaaid met beenderen van soldaten die stierven in korte oorlogen.”

De vraag is hoe de publieke opinie in dit land reageert als het gewapend treffen veel slachtoffers vergt en er massaal lijkenzakken aankomen.

Broder, bewogen: “ Ik vind het moeilijk hierover te praten. Ik ben bang dat Saddam Hussein gelijk had toen hij zei dat de Amerikaanse maatschappij geen tienduizend doden in een veldslag kan accepteren. Onderzoeken wijzen uit dat de tolerantiegrens van Amerikanen op dit punt laag ligt. Doordat we sinds Vietnam alleen bij kleinschalige militaire confrontaties betrokken waren, zijn de doden hier 'verpersoonlijkt'. Vrijwel iedereen weet precies hoeveel Amerikaanse mariniers omkwamen in Beiroet toen een vrachtwagen vol explosieven hun barakken binnenreed: 241. Geen 239, geen 240, nee, 241.

“Toen de prominente Democraat Les Aspin een paar dagen geleden zei dat drie- tot vijfduizend doden 'acceptabel' zouden zijn, golfde een verontwaardigd gebrul over de burelen van de Washington Post. En op het moment dat Baker na zijn ontmoeting met Aziz in Geneve het woord 'Regrettably... ' uitsprak - we keken met z'n allen zwijgend televisie - begonnen mensen op de redactie te huilen. Onze krant is in dit opzicht ongetwijfeld representatief. De zenuwen liggen bloot.

“Mochten de regering en de militaire top hun bewering dat we een oorlog in no time winnen niet waarmaken, dan zullen op de lange termijn de hoogste politici en de complete bovenlaag van het militaire establishment moeten vertrekken. En op de korte termijn zal dan in de VS de roep klinken om het gebruik van nucleaire wapens - zeker als Saddam gifgasbommen gebruikt. 'Blaas Bagdad op', dat is de kreet waar het Witte Huis weerstand aan zal moeten bieden.”

“Goede vrienden van ons hebben een dochter die op de Amerikaanse ambassade in Koeweit werkte”, vertelt Ann. “ Samen met de ambassadeur was ze een van de laatsten die het land verliet. 'Let's nuke the Iraqis till they glow', zegt zij. Binnenkort zijn er meer die dat eisen.”

'Het Westen kijkt in de lopen van de geweren die het zelf aan Bagdad heeft geleverd, in de ogen van een monster dat het zelf heeft gekweekt', zeggen Iraakse Koerden die smeekten om onze hulp toen Saddam Hussein tienduizenden van hun volksgenoten liet vermoorden.

“Er is historisch bewijs dat ze gelijk hebben.”

Maar we deden niets. We gingen door met het bewapenen van Saddam Hussein. Volgens sommigen is de stelling verdedigbaar dat we zodoende impliciet verantwoordelijkheid dragen voor de daden van het monster.

“Ja, maar daar mag je je niet door laten verlammen. Laat me een vergelijking maken met Noriega. 'Jarenlang stond-ie op de Amerikaanse loonlijst, maar plots vond de VS het schandalig wat de man deed en pleegden ze een invasie in Panama om hem daar weg te slaan', hoonden critici van de president. Klopt! Als je medeverantwoordelijk bent voor de machtsbasis van iemand die zich ontwikkelt tot een son of a bitch, dan is dat jouw probleem. Dan rust op jou de verplichting de zaak op te lossen. Misschien had je een dergelijk figuur sowieso niet moeten steunen, maar zeker als hij over de schreef gaat, dien je in te grijpen. Idem dito in het geval-Saddam. Ook daarom ben ik het eens met de beslissing te attaqueren.

“Nu we ruim trwee dagen oorlog achter de rug hebben, begint het tijd te worden dat de president duidelijk maakt wat zijn bedoeling is: drijft hij de Iraki's alleen uit Koeweit, of wenst hij Saddam ook uit Bagdad te verwijderen? Bush zwijgt daarover. Daarnaast is het de grote vraag hoe lang het gaat duren. Congresleden vertellen mij dat hier achter gesloten deuren over minstens een paar weken wordt gesproken. Hen is door het Witte Huis te verstaan gegeven dat het wel sneller zou kunnen, maar dat de acties dan meer mensenlevens kosten.”

Dat de meeste Europese landen geen substantiele bijdrage leveren aan de strijdmacht, roept opmerkelijk weinig Amerikaanse protesten op.

“Jullie hebben je eigen verantwoordelijkheid; wij nemen de onze. President Kennedy zei vaak: 'Life is unfair'. De juistheid van die uitspraak wordt nu opnieuw bewezen. De woede en de wanhoop daarover is nog niet zichtbaar, maar als zich in deze oorlog ernstige Amerikaanse verliezen voordoen zal de afzijdigheid van Duitsland, en vooral die van Japan, ongetwijfeld politieke gevolgen krijgen. Ik hoor de Democratische presidentskandidaat van '92 nu al inhaken op de anti-Japanse gevoelens in de VS: 'George Bush heeft in de Golf de belangen van Japan verdedigd zonder daar iets voor terug te eisen, zonder acht te slaan op het feit dat de Japanners ondertussen onze markt opslokten.'

“Er verspreidt zich een woede over dit land. Veel Amerikanen ondervinden aan den lijve dat de economische crisis van dag tot dag verergert. Ze merken dat een financieel soort Apocalyps Now nadert, 'en de verantwoordelijke politici doen niks, die spelen dure spelletjes aan de Golf'. In de ogen van mensen onderaan de ladder past dat allemaal in het bekende patroon: Bush is niet bezorgd over de dingen die hen zorgen baren: homely kind of things, gezondheidszorg, misdaad, drugs, werkloosheid, sociale uitkeringen.”

Ann: “ Barbara Bush is daar wel mee bezig. George weet nauwelijks wat daklozen zijn. Als Barbara president was, zou dit land er heel anders uit zien.”

“Bush was altijd al veel meer gefascineerd door internationale zaken dan door binnenlandse onderwerpen”, zegt David Broder. “ Niets binnenlands had op zijn eigen leven zo'n grote invloed als de mondiale gebeurtenissen, als '40-'45, toen hij in de marine diende. Hij denkt dat zijn plaats in de geschiedenisboeken wordt bepaald door zijn prestaties in de wereldpolitiek, maar hij vergeet dat presidenten thuis worden herkozen. Of niet.”

    • Frénk van der Linden