Taalspel

Jennen en zestig andere taalspelletjes

door Ad van Gaalen en Ineke Mahieu

96 blz., geill., Wolters-Noordhoff 1990, f 12, 50

ISBN 90 01 32 721 4

Het is al eerder opgemerkt: sinds enkele taalboekjes het tot bestseller hebben geschopt, regent het boekjes over taal. Het gros stelt niets voor - zonde van de bomen die ervoor zijn gekapt. Maar er zijn uitzonderingen en daartoe behoort zeker Jennen van Ad van Gaalen en Ineke Mahieu.

Van Gaalen schreef eerder een bestseller over het Haagse dialect, getiteld K'm nah. Met Mahieu publiceerde hij eind vorig jaar Stadsplat, een beknopte inventarisatie van de dialecten van de zes grote steden. In Jennen hebben ze zestig taalspelletjes bijeengebracht. De spelletjes komen uit allerlei landen en culturen en de oudste dateert van de zestiende eeuw. Het is een pretentieloos, eenvoudig boekje. De taalspelletjes zijn alfabetisch gerangschikt, van 'Alfabetje' tot 'Zwarte gaten', en behalve de spelregels wordt steeds vermeld met hoeveel spelers er kan worden gespeeld en wat de benodigdheden zijn - over het algemeen alleen potlood en papier met zo nu en dan een horloge of een woordenboek. Met stippen wordt aangegeven wat de moeilijkheidsgraad is. “ Maar vergis u niet, “ zo heet het in de beknopte inleiding, “ ook de slimmeriken kunnen heel veel plezier beleven aan de taalspelletjes met maar een stip.”

Jennen is in de eerste plaats bedoeld voor liefhebbers. De auteurs raden het eveneens aan aan “ leraren, ouders en andere opvoeders, want spelen met taal vraagt en stimuleert taal-creativiteit”. Dat laatste verklaart waarschijnlijk de oubollige adviezen die hier en daar opduiken (” In plaats van met lucifers kan men met geld spelen. Het is overbodig op de gevaren daarvan te wijzen, hopen we” ) maar dat is dan ook het enige minpuntje aan dit boek.

Dit laatste wordt overigens ruimschoots goedgemaakt door de korte historische anekdoten die de auteurs over sommige spelletjes vertellen. Zo blijkt dat er aan anagrammen vroeger een magische betekenis werd toegekend. Toen de Fransman Andre Pujom ontdekte dat zijn naam een anagram is van “ pendu Riom” (opgehangen in Riom), raakte hij er zo van overtuigd dat dit uit zou komen dat hij een moord pleegde om het noodlot een handje te helpen. Pujom werd vervolgens inderdaad door de beul van Riom opgeknoopt. De Engelse dagboekschrijver Samuel Pepys blijkt het spelletje 'Crambo' in 1660 tijdens zijn verblijf in Holland te hebben uitgevonden. Lewis Caroll zorgde met zijn 'Doubletten' voor een rage en was ook uitvinder van 'Mischmasch', koningin Elisabeth was tot ongenoegen van Churchill verslaafd aan 'Hints' en in Duitsland tekenen ze bij 'galgje' een spinnetje in plaats van een poppetje.

Dit soort details maken Jennen nog leuker. Maar de kracht zit natuurlijk in de opsomming van allerlei bekende en mindere bekende taalspelletjes.

    • Ewoud Sanders