Roemeense boeren bouwen hun dorp weer op met hun blote handen

VLADICEASCA, 19 jan. - Vladiceasca bestaat weer. Twee jaar geleden kwamen de politiemannen, de soldaten en de bulldozers van Nicolae Ceausescu vanuit Boekarest, twintig kilometer verderop, om dit dorp aan de weg naar Snagov onder te schoffelen, rigoureus, en letterlijk. Drie dagen kregen de bewoners, toen zetten de soldaten de zestig gezinnen uit hun huis, en terwijl de bulldozers grote kuilen groeven kregen de inwoners nog even de tijd wat planken en ander materiaal van hun huis te redden, en toen schoven de bulldozers de woningen van de boeren van Vladiceasca gewoon de kuilen in om de zaak vervolgens met aarde toe te dekken. Van Vladiceasca bleef niets over, niets dan kaal landbouwland. Alsof het nooit had bestaan.

Nu, twee jaar na de sloop en een jaar na de val van de Conducator, keren de bewoners terug, want er is veel nodig om een Roemeense boer te nekken: de Roemeense boer heeft meer overleefd dan een dictator, hoe meedogenloos ook. En dus verlaten de boeren van Vladiceasca de flats die Ceausescu een paar kilometer verderop, in Ghermanesti, voor hen had laten neerzetten, flats die nu al bouwvallig zijn, en bouwen ze weer een huis, met de hand, en als straks de lente komt slaan ze weer aan het boeren, zelfs al bestaat hun gereedschap in de meeste gevallen uit een enkele schop en hebben ze geen dieren, geen paarden, geen water en geen licht en zelfs niet de waakhond die op geen enkele Roemeense boederij ontbreekt.

Vladiceasca was een mooi dorp, een bloeiend dorp, zegt Alexandru Costache. Eenenzeventig is hij, een kromgegroeide man met een muts van schapewol, de stoppels staan wit in zijn gezicht en als hij grijnst legt hij vooral gaten bloot. Het was een mooi dorp, met veel bomen en tuinen. Toen ze in de zomer van 1988 kwamen, de soldaten en de bulldozers, heb ik nog met mijn hand op mijn bijl gestaan. Ik heb staan huilen. Ik heb in de oorlog gevochten, zegt Costache Alexandru, ik ben twee keer gewond geraakt, maar je begint niks tegen soldaten, op je eentje. Alles hebben ze verwoest, zelfs de bomen, er moest landbouwland komen, zeiden ze. Ik heb staan huilen. Toen ik vorig jaar terugkwam heb ik nog moeite gehad de plaats van mijn vroegere huis terug te vinden, alleen aan de hand van dat boompje in de wegberm lukte dat.

De vernietiging van Vladiceasca vond plaats in het kader van Ceausescu's sistematizare van het platteland. De verschillen tussen boer en stedeling, vond Ceausescu, moesten verdwijnen, het socialistische Roemenie moest een homogene bevolking krijgen, dat was vooruitgang. In de praktijk betekende dat dat ruim zevenduizend van de dertienduizend dorpen in het land moesten worden gesloopt, dat de boeren moesten worden ondergebracht in flats (veelal zonder stromend water, laat staan een toilet - daarvoor moesten ze een binnenplaats op) in ruim vijfhonderd 'agro-industriele centra', voorzien van een cultuurhuis, een ziekenhuis en wat winkels op de begane grond: de glorie van het beton.

En dus werden in de tweede helft van de jaren tachtig de eerste dorpen gesloopt: de huizen van hout, met hun typische houtsnijwerk en hun moestuintjes, de dorpen met hun kerken en begraafplaatsen en dorpshuizen werden neergehaald en letterlijk begraven. De boeren werden verdreven, gingen naar hun nieuwe flats, compensatie kregen ze niet, noch voor hun huis, noch voor hun land. Werk kregen ze evenmin: dat moesten ze zelf maar zoeken.

De val van de dictator in december 1989 heeft de uitvoering van het plan verhinderd en duizenden dorpen gered - en met die dorpen de Roemeense dorpscultuur die in dit land, pas een generatie bezig zich te industrialiseren, zo belangrijk is en in de steden terug te vinden is in de architectuur van de huizen voor zover die althans niet ook daar door Ceausescu zijn neergehaald en vervangen door betonnen hoogbouw.

Voor Vladiceasca kwam Ceausescu's val te laat. Alexandru Costache ziet uit over het kale land, naast het huis dat hij het afgelopen jaar zelf weer heeft opgebouwd, met blote handen, een huisje van twee kamers en een keukentje, de muren zijn van leem, het dak van hout, en de waterbron voor de deur heeft hij zelf gegraven. Het viel niet mee, want, zegt Alexandru Costache, zelfs spijkers zijn hier schaars. Voor het hout heeft hij 20.000 lei betaald (zeshonderd dollar), geleend geld, mijn land heb ik van de regering teruggekregen, vijfduizend vierkante meter, maar kredieten of andere hulp heb ik niet gekregen. Hij probeert zijn huis warm te houden door hout te verstoken dat hij stiekem kapt in het bos een kilometer verderop. Hij leeft met zijn vrouw van een pensioen, ze krijgen beiden duizend lei (dertig dollar) per maand, je kunt er niet van rondkomen, al helemaal niet, zegt Alexandru Costache, als je de mensen van het mechanisatiestation, die tractoren en de werktuigen verhuren, vijfhonderd lei moet betalen voor het ploegen van vijfhonderd meter land. Elektriciteit heeft hij niet, ook dat kost 20.000 lei, en dat heb ik niet. We leven, zegt Costache Alexandru, van het mais van de vorige zomer, hij laat het middagmaal zien, het staat toevallig op tafel: twee varkenspootjes, en een ui.

Alexandru Costache is boos, het nieuwe bewind, zegt hij, had best alle beloftes die zijn gedaan door een paar daden kunnen laten volgen. Al dat geld, dat na de revolutie is binnengekomen, waar is dat heen? Naar de partijen! Het huis dat ze twee jaar geleden hebben afgebroken was een half miljoen lei waard, ik had druiven, veel druiven zelfs, ik maakte mijn eigen wijn. Allemaal weg, en alles is heel duur, een fles wijn kost honderd lei, vroeger had ik mijn eigen wijn.

Dat hij toch uit zijn flat is gekomen en naar zijn stukje grond is teruggekeerd, op zijn leeftijd, is alleen maar logisch, zegt hij, ik zat daar duimen te draaien, er was niets te doen. Ik wil werken, ik wil leven, we zijn trotse mensen en ik wil tegenover mijn kinderen mijn hoofd hoog kunnen houden. Het is een schande, zegt Alexandru Costache, ik schaam me voor dit huisje. Hij brengt zijn gasten naar de rand van zijn land, naar dat boompje in de wegberm, want een hek staat er nog niet, hij geeft een hand, hij zegt: kunnen jullie me geen vee sturen?

Ghermanesti ligt drie kilometer verder, in het vlakke, kale, winderige Walachijse land. Aan de rechterkant van de weg naar Snagov de kleine oude houten huisjes, groen of geel geschilderd, met het houtsnijwerk aan de hekken, deurstijlen en daklijsten. Aan de linkerkant staan de nieuwe flats, die zijn opgetrokken voor de verdreven dorpelingen van Vladiceasca en andere dorpen uit de omgeving. Lazar Rogojinaru woont in zo'n flat, op drie hoog. Van buiten zien die bouwstenen van Ceausescu's gelijkgeschakelde paradijs er nog heel aardig uit, en de Rogojinarus, Lazar en zijn vrouw Maria en hun kleinzoontje dat, nog geen vijf jaar oud, donders goed weet dat Ceausescu niet deugde en dat ook bij voortduring roept, beschikken zelfs over stromend water en een toilet. Maar hij wijst op de muren, er zitten al scheuren in, en op de plafonds vol gele lekkringen. Op de binnenplaatsen van de flats van Ghermanesti doet niets denken aan het socialistische paradijs dat Ceausescu in gedachten moet hebben gehad: hier hebben de verdreven inwoners van Vladiceasca met de planken die ze twee jaar geleden op de dag van de sloop nog uit hun oude huizen mochten halen primitieve hutjes en schuurtjes gebouwd, voor de paar kippen en kalkoenen die ze konden redden, voor de maiskolven, voor het hout. Het is een modderpoel, hier en daar zij wat kippen en zelfs een varken te zien. Een vrouw toont haar hutje van binnen. Er staat zowaar een koe in.

Lazar Rogojinaru wil ook terug naar Vladiceasca. Iedereen in de flat wil terug, zegt hij, een grijze magere man van 67 met boerenhanden en pijn in zijn rug, hij blijft tegen de grote tegelkachel staan om die rug warm te houden. Iedereen wil terug, en er zijn alweer 22 gezinnen vertrokken van hier. We zijn geen flatbewoners, wij hebben 35 jaar in Vladiceasca gewoond, sinds ons huwelijk, we zijn er ooit met 200 lei begonnen, uiteindelijk hadden we twee huizen in Vladiceasca, twee huizen met tien kamers en vier tegelkachels, en een kelder van cement, duizend wijnstokken, fruitbomen, en drie hectaren grond. Die grond heeft hij ooit in de cooperatie ingebracht, daar heb je nu weer recht op, de cooperatie bestaat niet meer en de grond is aan de vroegere eigenaars teruggegeven. Een stukje verderop ligt nog eens drie hectaren dat hij heeft geerfd van een familielid. Ik was welvarend, zegt hij, het werk van een heel leven hebben ze me in 1988 afgepakt. Het ging heel snel, op 22 juni kregen we een briefje, en vanaf die dag moesten we al huur betalen voor de flat hier, en dat terwijl ik voor heel 1988 al de belasting op mijn huis en de grond had betaald. Dat geld hebben we nooit teruggekregen! Er stond in dat briefje nog geen datum, ik heb er laster de burgemeester nog op aangesproken toen ik hem tegenkwam, toen loog die dat hij een andere brief had gestuurd, met de datum van de sloop. Zo kwamen in juli de slopers nog onverwachts en verdween alles. Ik heb nog een tijdje een varken gehad op de binnenplaats van de flat, zegt Lazar Rogojinaru, maar dat hebben we moeten slachten, je kunt hier geen varken houden.

Eerst moet het huis er komen, hij heeft geleend, bij familie, iedereen heeft bijgedragen wat hij kon. Ik heb zelf, zegt hij, twee maanden in de bergen gewerkt, als houthakker, om het geld bij elkaar te krijgen om hout te kopen voor het nieuwe huis. Dat hout kost 45.000 lei, voor het bouwmateriaal voor het huis, het gasbeton, moet ik 69.000 lei betalen, ik moet nog ergens 30.000 lei zien te krijgen. Het zal nog heel moeilijk worden die leningen af te betalen, want we hebben maar een pensioen van 2500 lei per maand. Het ergste is dat de prijzen zo snel stijgen, ze zijn wel verdrievoudigd sinds eind vorig jaar.

Aan het bouwen van twee huizen hoeft Lazar Rogojinaru niet te denken: Het zou al een wonder zijn als hij er een kan bouwen. Hij laat de plannen zien, die zijn klaar, papieren vol stempels en handtekeningen, het wordt maar een eenvoudig huis, met een verdieping, twee slaapkamers, een woonkamer en een keuken. Geen kelder, nee, maar wel een zolder, veertig kubieke meter, voor de opslag, en misschien later een schuur, voor de werktuigen en de dieren. Rogojinaru lacht: werktuigen en dieren hebben we voorlopig niet. Het zal nog zeker vijf jaar duren voor het weer een beetje gaat lopen, zegt hij, maar over twee maanden hoop ik een kamertje klaar te hebben, dan ga ik daar al wonen, als ik dat niet doe stelen ze mijn bouwmateriaal.

Hij probeert niet aan vroeger te denken, zegt hij, mijn kinderen zeggen: kijk niet om, dan wind je je alleen maar op. De kinderen willen niet dat ik verbitterd raak, ze zeggen dat ik het hoofd hoog moet houden, maar het is heel moeilijk. Ik ken veel mensen in de flat wier hart is gebroken.

Hij is ook boos op de regering, die veel heeft beloofd maar niets doet, zelfs boodschappen kun je hier niet doen, die cooperatie in het dorp vertrouw ik niet, suiker en olie zijn er meestal niet, daarvoor moet je naar Boekarest. Zelfs brood kopen we in Boekarest, maar er gaat maar twee keer per dag een bus en een retourtje kost 37 lei, dat is een heel bedrag. Ik heb nog geprobeerd Iliescu te bereiken, om hem te zeggen dat hij de prijzen laag moet houden. Hij zit nu in Pakistan, hij reist al net zoals Ceausescu de wereld rond.

Het zal wel lukken, zegt Lazar Rogojinaru, als zijn vrouw Maria de gasten een traditioneel schaaltje met jam voorzet, het moet lukken want in de flat kunnen we niet blijven. Natuurlijk, het is warm en je hebt water en licht en een pensioentje, maar we zijn boeren, ik sta het liefste op, pak een stuk brood en wat kaas of een ui en ga het land op. Boeren is beter, daar kan ik geen afscheid van nemen, hier blijven is erger dan een vonnis van de rechter. Ik ben wel oud, maar als ik werk ben ik jong. We hadden paarden en koeien, we hadden nooit iets uit de winkel nodig, en we zullen ooit weer paarden en koeien hebben, zegt Lazar Rogojinaru: we moeten het land weer opbouwen, zegt hij, want als de boer arm is is Roemenie arm.