Nederland in diagrammen

De staat van Nederland. Nederland en zijn bewoners. De opmerkelijke feiten en hun samenhang

redactie Wilfried Uitterhoeve e.a.

256 blz., geill., SUN 1990, f 29, 50

ISBN 90 6168 3300

Het is wonderlijk dat het recente boek De staat van Nederland, een verzameling korte schetsen, inzichtelijke cijferreeksen en fraai uitgebeelde statistieken over de stand van zaken in onze samenleving anno 1990, zich al enkele weken na verschijnen laat lezen als een geschiedkundige verhandeling. Over hoe welvarend we waren in de jaren tachtig, met die acht jaren van economische voorspoed; over hoe rustig en tolerant Nederland was, met die 'prudente progressiviteit' waarmee krakers, kleine criminelen, zwartrijders en verslaafden werden benaderd; over hoe ver we gingen met vakantie, naar bijvoorbeeld het Midden-Oosten, dat als bestemming langzaam omhoog sloop in de statistieken; over hoe verzoend we waren met ons bestaan in de nadagen van de Koude Oorlog, met die drieennegentig procent tevredenen in de op een na contenste natie van Europa - alleen in Denemarken voelde men zich behaaglijker.

De staat van Nederland is bedoeld als een voor een breed publiek toegankelijke presentatie van het cijfermateriaal dat gewoonlijk is verspreid over talloze nota's en rapporten vol cijferbrij van het Centraal Bureau voor de Statistiek, het Centraal Planbureau, het Sociaal en Cultureel Planbureau, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, en Eurostat. Het biedt een kaleidoscopische verzameling staaf-, cirkel- en blokdiagrammen, tabellen, kaartjes en lijstjes over onderwerpen als 'meningen en zeden', 'religie en kerken', 'vrije tijd en cultuur', 'migranten' , 'milieu en natuur', 'economie en bedrijfsleven, 'inkomsten en uitgaven', 'gezondheid', 'de bevolking', 'wonen'. Hier is, kortom, de Nederlandse beschaving in het laatste kwart van de twintigste eeuw samengevat in honderdvijftig figuurtjes.

Het is een inzichtelijk en onderhoudend boek geworden, dat duidelijk is geschreven door geografen met een oog voor trendy thema's. Veelzeggend is bijvoorbeeld dat in de index wel 'verzuring' te vinden is en niet 'verzuiling' als wezenskenmerk van Nederland. Hier en daar kruipt zelfs de suggestie naar voren dat in dit 'veelomvattend overzicht' de balans wordt opgemaakt van de 'hevige verschuivingen' in de jaren zestig en zeventig. In ieder geval zijn er genoeg opmerkelijke krenten uit de statistische pap gevist. Dat dertien procent van de Nederlanders meent dat vrouwen kinderen “ behoren te krijgen” (in schril contrast met drieenzeventig procent van de Fransen); dat vijfenvijftig procent van onze landgenoten nu nog stellig gelooft in de duivel (tegenover drieenzeventig procent in 1966); dat het lezen van boeken onder jongens tussen de twaalf en negentien jaar het afgelopen decennium toenam, terwijl het onder meisjes van dezelfde leeftijdsgroep sterk daalde; dat zowel het grootstedelijk gesubsidieerd toneel als lokale harmonie- en fanfare-orkesten te kampen hebben met een dramatische daling van de belangstelling; dat de provincie Drenthe zowel linkser stemt dan gemiddeld, maar toch een oververtegenwoordiging van VVD-kiezers kent; dat Nederlanders drie maal minder culturele voorstellingen bijwonen dan West-Duitsers; dat de electorale basis van Groen Links te vinden is in Noord-Holland en Oost-Groningen; dat de gemiddelde Nederlandse junkie 3600 gulden per maand nodig heeft om zijn 'financiele huishouding' rond te krijgen: dit alles is opmerkelijk en aardig om te lezen.

Maar, wat betekent het? Daarop geeft De staat van Nederland, ondanks de belofte dat “ de opmerkelijke feiten en hun samenhang' worden geopenbaard, zelfs niet het begin van een antwoord. Tussen de verschillende thema's (waarbij 'vrede en veiligheid' in het decennium van de kruisraketten en de val van de Muur opvallend ontbreekt) is nauwelijks verband aangebracht, ook niet in de vorm van een samenvattend essay of een beschouwing over Nederland in de jaren tachtig.

FAITS DIVERS

Dat is een teleurstelling in een tijd waarin zelfs het Sociaal Cultureel Planbureau in zijn rapportages probeert met gekoppelde cijferbestanden ontwikkelingen aan elkaar te relateren (in de trant van “ het bezit van magnetrons neemt veel meer toe onder VARA-leden in premie-A woningen met een Nederlands Hervormde geloofsovertuiging en een lease-auto alsmede een meer dan gemiddeld vertrouwen in de lokale politiek, dan onder VPRO-leden in het oosten des lands zonder kinderen, maar met een dubbel inkomen, een koopwoning en een afgebroken universitaire opleiding en ten minste drie vakanties per jaar” ).

Zo blijft De staat van Nederland enigszins steken in een losse verzameling fait divers, 'eye-brow raisers' die misschien wel minder toevoegen aan hetgeen in de krant te lezen was dan de samenstellers hoopten. In dit Grote-Weetjes-Boek wordt aan de lezer overgelaten uit te zoeken wat de betekenis is van de sociaal-economische en culturele ontwikkelingen die in kaart zijn gebracht. Vaak is dat niet makkelijk omdat de cijfers betrekking hebben op slechts enkele jaren, en in het gunstigste geval enkele decennia.

Jammer genoeg hebben de samenstellers zich ook niet, of niet voldoende, de vraag gesteld wat nu de moderne wezenskenmerken zijn van Nederland en zijn bewoners, en in hoeverre de 'hevige verschuivingen' van de jaren zestig en zeventig nu werkelijk een breuk of een rimpeling in de continuiteit waren.

Zo wordt in het hoofdstuk over religie wel aangestipt dat er ondanks de ontkerkelijking een opmerkelijk stabiel geografisch patroon van de spreiding van de godsdiensten is, “ dat de achtergrond vormt van regionale culturele en politieke verschillen”, maar wat die verschillen zijn en hoe hun persistentie valt te verklaren, komt niet aan de orde. Dit boek had aan zeggingskracht gewonnen als juist die worteling van de Nederlandse natie in die typische verweving van kerk, geloofsbeleving, zuil en staat was gebruikt als centraal thema ter verheldering van allerhande eigentijdse ontwikkelingen. Die zonderlinge erfenis van verzuiling onder de paraplu van een mercantiel calvinistische geesteshouding zou immers weleens veel te maken kunnen hebben met veel statistische stuipen die in dit boek worden gepresenteerd.

De religieuze pluriformiteit is ten dele te verklaren door de zwakke positie van de gereformeerde kerken ten opzichte van de gewestelijke en stedelijke overheden in het tijdperk van de Republiek. De bestendiging van die pluriformiteit bij de inrichting en modernisering van de Nederlandse maatschappij heeft er alles mee te maken dat de ontkerstening bij ons zo laat tot stand kwam. Elders in Europa begon de leegloop van de kerken al tijdens de Industriele Revolutie. Zoals de historicus Ivo Sch'offer het ooit uitdrukte: “ In Nederland vloeide de woeste stroom der modernisering kalmer en trager door de vele reeds bestaande beddingen.”

De verzuiling heeft niet alleen de Nederlandse partijvorming (ideologisch en regionaal), maar ook de ontwikkeling van subculturen, mentale houdingen, maatschappelijke rituelen, en de staatsinrichting, alsmede de economische ontwikkelingen (al vanaf de negentiende eeuw trager, geleidelijker, maar breder en standvastiger) van Nederland bepaald. De 'tweede industriele revolutie' van de jaren vijftig ondermijnde de structuur van de gescheiden geloofspiramides. Mobiliteit, welvaart en informatie waren niet meer te kanaliseren door de elites, en de jaren zestig en zeventig gaven een plotse inhaalmanoeuvre te zien op gebied van mentaliteit en consumptie.

Toch is juist in de jaren tachtig duidelijk geworden dat het 'typisch Nederlandse' kader, een mengeling van Thorbeckes staatsrechtelijke indeling en de compromisbereidheid van de maatschappelijke elites veel schokken heeft kunnen opvangen. Ondanks de 'hevige verschuivingen' is het grondplan van onze samenleving niet gewijzigd. Zo wordt als het ware de moderne, ontkerkelijkte en kosmopolitische tijdgeest in Nederland nog steeds geleid door de vertrouwde beddingen die diep verankerd zijn in onze geschiedenis.

NAAR BED

Ter opheldering van deze kwestie hadden in De staat van Nederland wellicht kwesties aan de orde kunnen komen als: hoe verhoudt de stabiele regionale geloofsspreiding in Nederland zich met het gegeven dat twintig procent van de veertien- en vijftienjarigen zegt al eens met iemand naar bed te zijn geweest? Hoe laat de betrekkelijke continuiteit die de huidige 'ongebonden kiezer' in zijn politieke voorkeuren tentoonspreidt, zich rijmen met het hyperindividualisme dat uit de statistieken naar voren komt? Wat heeft de relatieve verrechtsing van de Randstad in de afgelopen tien jaar te maken met de economische groei? Wat heeft het feit dat zevenentachtig procent van de Nederlanders gelooft in de Hemel, van doen met het spectaculaire succes van RTL-4?

Ondanks de enorme hoeveelheid gegevens die in dit boek ligt opgestapeld, blijft de vraag naar het waarom van de continuiteit van de Nederlandse samenleving onbeantwoord. Misschien is het te veel geeist van een boek dat vooral een momentopname wil zijn, maar het antwoord op de vraag is des te interessanter omdat bij elke grote crisis van de laatste drie eeuwen de Nederlander op de lippen bestorven ligt dat “ het nooit meer hetzelfde zal zijn”. Zelfs tussen de regels van dit boek doemt dat bestendige nationale fundament op van afwachtende voorzichtigheid, van verpletterende gezelligheid op Sinterklaasavond, van overdekte winkelcentra met verkeerde achtergrondmuziek, van gluren naar de buren, van desolate korfbalvelden in de polder, van neigen naar compromissen en accommodatie, van wankelen tussen sombere predestinatie en jubelend individualisme, en van kleffe nasiballen achter beslagen ruitjes. Maar of die 'staat van Nederland' ooit in een staafdiagram is te vangen, betwijfel ik.

    • Bastiaan Bommeljé