Lossere omgangsvormen

door Cas Wouters

Van minnen en sterven. Informalisering van omgangsvormen rond seks en dood

306 blz., Bert Bakker 1990, f 45, -

ISBN 90 351 09759

Nog tien jaar en deze eeuw is voorbij. Het omzien is al begonnen. Velen zullen de twee wereldoorlogen, de opkomst en ondergang van het communisme, de mens op de maan, de technologische revolutie en de verzorgingsstaat op hun toptien- lijstje zetten. Anderen spreken misschien over de eeuw van het kind of van de emancipatie van de vrouw. Maar weinigen zullen op het idee komen om de informalisering van omgangsvormen tot dominant kenmerk van deze eeuw te verklaren. Wie dat wel doet, is de socioloog Cas Wouters.

In een romantisch ogende omslag heeft Wouters zijn sinds 1970 verschenen artikelen over de versoepeling van de Algemeen Beschaafde Omgangsvormen en -idealen gebundeld. Het boek heet Van minnen en sterven. De zakelijke ondertitel Informalisering van omgangsvormen rond seks en dood maakt echter op slag een einde aan elke associatie met de romantiek. De titel kan ook nog om een andere reden aanleiding geven tot misverstand. Over sterven en dood gaan slechts twee van de elf artikelen, vijftig van de driehonderd bladzijden. Over minnen of liever gezegd over man-vrouw-relaties gaan vier hoofdstukken. Verder laat Wouters zien hoe de informalisering heeft doorgewerkt in veranderingen van het taalgebruik, de beroepspraktijk van stewardessen, het koninginnegedrag en in de verhouding tussen rijke en arme landen.

Een onsamenhangend boek? Integendeel, want alle hoofdstukken worden bijeengehouden door een sterke theorie, de civilisatietheorie van Norbert Elias. Deze is zo omvattend, dat alle door Wouters behandelde onderwerpen er gemakkelijk hun plaats in vinden. Daarmee is eigenlijk al gezegd waar dit boek in de kern over gaat. Zo wil de auteur aan de hand van empirische onderzoeksgegevens aantonen dat de omgangsvormen informeler zijn geworden en vervolgens wil hij deze informaliseringsthese inpassen in de civilisatietheorie van Elias.

In alle sociale processen zijn tendensen tot formalisering en informalisering te onderscheiden. De ene groep wil regels opleggen (formalisering) en de andere partij wil zich er juist aan onttrekken (informalisering). Afhankelijk van welke groep dominant is of aan macht wint, zullen hun omgangsvormen wordengekenmerkt door formalisering danwel informalisering. Neemt de druk van onderop toe (emancipatie, verzet, democratisering) dan zal informalisering de overhand krijgen, is de druk van bovenaf het grootst dan zal formalisering overheersen. Zoveel is duidelijk dat de veranderingen in de omgangsvormen alles te maken hebben met de machtsverhoudingen tussen groepen.

EMOTIES

Met informalisering wordt bedoeld dat de onderlinge gedragsregels versoepelen, de toegestane gedragsalternatieven zich uitbreiden en de tot dan toe bedwongen emoties en impulsen weer meer gelegenheid krijgen zich te manifesteren. Deze eeuw kent volgens Wouters drie informaliseringsgolven: de eerste rond het 'fin-de-siecle', de tweede in de periode van de 'roaring twenties' en de derde in de jaren zestig en zeventig. Tezamen bepalen ze de dominante richting van de gedragsveranderingen in de eeuw, die van het informeler worden van de omgangsvormen. Informalisering volgt op het formaliseringsproces, wat inhoudt dat het onderlinge gedrag van mensen in de loop van de geschiedenis steeds sterker is gereguleerd, eerst door middel van directe dwang van buitenaf via wetten en strakke omgangsregels, later meer door wederzijds verwachte zelfbeheersing.

Wouters wil een bijdrage leveren aan de civilisatietheorie van Norbert Elias, die zegt dat over een lange periode gezien - en bij Elias ging het om het tijdvak van de late Middeleeuwen tot aan de negentiende eeuw - mensen hun onderlinge gedrag steeds uitgebreider en strakker hebben gereguleerd en tegelijkertijd hierdoor hun emoties en impulsen steeds sterker hebben leren bedwingen. Deze formaliseringsthese van Elias wordt door Wouters aangevuld en uitgebreid met de informaliseringsthese. Elias heeft informalisering een tijdlang beschouwd als een tijdelijke en beperkte afneming van effectbeheersing en effectregulering, want hij zag steeds fijnere gedragsregulering samengaan met steeds grotere zelfbeheersing. Formalisering was volgens hem daarom dominant. Nu toont Wouters aan dat ook informalisering samengaat met voortgaande beheersing, want versoepeling van gedrag betekent niet dat je je zomaar kunt laten gaan, integendeel. Informalisering kan dus dominant zijn, terwijl aan het beheersingsproces geen einde hoeft te komen. Hiermee heeft Wouters zijn informaliseringsthese geintegreerd in de civilisatietheorie van Elias. In de twintigste eeuw bepalen de informaliseringsgolven de richting van het civilisatieproces, in de eeuwen ervoor domineerde het formaliseringsproces met tussengolven van informalisering.

Het gaat hier niet om een controverse met Elias, maar om een verrijking van diens oorspronkelijke theorie. Zo ziet Wouters het en zo heeft ook Elias het opgevat, getuige diens instemmming in recente publikaties met de door Wouters verdedigde en uitgewerkte stelling dat het soepeler worden van de omgangsvormen geheel in de pas loopt met de richting waarin het civilisatieproces verloopt. Wie zich heeft leren beheersen, mag zich beheerst laten gaan. Het gaat om een 'controlled decontrolling of emotional controls'. met deze vaak geciteerde uitspraak van Elias is de inpassing van de informaliseringsthese in de civilisatietheorie het kortst op formule gebracht.

Verreweg het grootste deel van het boek gaat over de eerste opgave, namelijk het proberen om in de sociale werkelijkheid steun te vinden voor de stelling dat de omgangsvormen in deze eeuw zijn versoepeld en dat deze ontwikkeling de dominante trend is geweest. Vooral in de naoorlogse periode is er sinds de derde informaliseringsgolf (1966-1979) - over de eerste twee zegt Wouters betrekkelijk weinig - veel veranderd in de relaties tussen werkgevers en werknemers, geestelijken en leken, ouders en kinderen, leraren en leerlingen, politici en burgers. Al deze relaties vertonen min of meer deze verandering: minder afstand, meer openheid, meer ruimte voor het individuele, maar ook meer psychische druk en hogere sociale vaardigheidseisen.

ZELFBEHEERSING

Wouters heeft naar andere voorbeelden gekeken, vooral naar de veranderingen in de omgangsvormen tussen mannen en vrouwen. Afnemende sociale ongelijkheid heeft hier tot versoepeling van gedragsregels geleid en tot een hoger niveau van wederzijds verwachte zelfbeheersing. In de hoofdstukken over de veranderingen in omgangsvormen tussen de seksen gaat het niet, zoals men zou verwachten, over vraagstukken als emancipatie, seksuele revolutie, echtscheiding, feminisme en anticonceptie, maar strikt over versoepeling van omgangsregels en de bijbehorende emotieregulering. Dat is een sterke kant van dit boek. Wouters stelt consequent de sociale en psychische aspecten van informalisering centraal. Door te kijken naar gedragsregels, omgangsvormen en affectregulering, heeft hij een zuiver sociologisch boek geschreven. Het gaat hem om de ontwikkeling van vormeigenschappen van relaties, getuige de nadruk op termen als contrast, balans, gelijkmatigheid, stabiliteit, flexibiliteit, variatie en regulering. Sociologischer kan het niet.

De theorie krijgt ook in deze hoofdstukken verreweg de meeste aandacht. Hij blijft daarmee wel zo dicht bij de ervaringswerkelijkheid, dat de lezers, vooral ook de niet-ingewijden, het theoretisch betoog gemakkelijk zullen kunnen volgen en ook toetsen aan eigen ervaringen met kennis van de veranderingen in de omgangsvormen. Velen zullen zelf de voorbeelden kunnen noemen van de soepeler gedragsvormen uit de jaren zestig en zeventig, evenals de weer wat strakker wordende gedragsregels vanaf de beginjaren tachtig. Het aardige is dat Wouters niet met overbekende voorbeelden uit overbekende bronnen komt, het waardevolle is dat hij met zijn informaliseringsthese een nieuwe lijn trekt door toch al wel bekende feiten. Zo wijst Wouters op het feit dat vrouwen niet alles zo maar van mannen hoeven 'te pikken', terwijl ze vroeger geleerd werd om zich te schikken, om veel 'te slikken' en 'de verstandigste' te zijn. Nu mogen meisjes en vrouwen alleen uitgaan, vroeger slechts onder begeleiding. Als voorbeeld wordt ook de informalisering van het taalgebruik genoemd. Opzettelijk platte taal, ruwe woorden of eigen spellingsvoorkeuren bezigen, de herwaardering van en toegenomen toleranties ten opzichte van dialecten, het overvloedig gebruik van modewoorden, dat alles speelt een rol bij de versoepeling van omgangsvormen. Op het gebied van rouwen en sterven blijkt de informalisering vooral uit de afnemende betekenis van rituelen. Rouwkleding wordt nog maar weinig gedragen, de indeling in zware, halve en lichte rouw met bijbehorende regels, bijvoorbeeld om de eerste zes weken zich niet buitenshuis te begeven tenzij naar de kerk, is nu geheel uit de tijd. Bij rouwplechtigheden wordt minder nadruk gelegd op uiterlijk vertoon en krijgen mensen meer gelegenheid aan persoonlijke emoties uitdrukking te geven.

Wouters laat goed zien hoe in de verpleegwereld de omgang met patienten is veranderd. Tegenover de ten dode opgeschreven patient waren tot in de jaren vijftig 'slecht-nieuwsgesprekken' taboe en was de 'pia fraus' ('de gewijde leugen') volstrekt gangbaar. Later verminderde de afstand tot de patient, werd het inlevingsvermogen groter en identificeerde het verplegend personeel zich meer met de stervenden. In 1970 wordt dan voor het eerst over stervensbegeleiding gesproken. Hier had Wouters wel mogen verwijzen naar het ook in Nederland invloedrijke boek Besef van een naderende dood van de Amerikaanse onderzoekers Glaser en Strauss, warin verslag wordt gedaan van de interacties rond het bed van kankerpatienten.

IRRITATIE

Door al deze uitvoerig gedocumenteerde vormen van informalisering weet de auteur heel goed duidelijk te maken dat zelfkennis en mensenkennis eigenlijk niets anders zijn dan sociale-vormenkennis. De sterke kant van het boek wekt echer ook een beetje irritatie. Alle voorbeelden van informalisering uit manierenboeken, adviesboeken, beleidsnota's, vakpersbladen en eigen observaties worden zo snel en uitvoerig theoretisch ingekapseld dat er weinig meer te vragen overblijft; Wouters kan alles inpassen. Veel sociaal- wetenschappelijk onderzoek gaat mank aan een overvloed aan empirische details en cijfermateriaal met een dun laagje theorie. Bij dit boek ligt de zaak precies omgekeerd: veel theorie en een bescheiden plaats voor de empirische gegevens. En wat de theorie betreft, blijft dit boek beperkt tot het eigen perspectief, namelijk de civilisatietheorie en de inpassing daarin van de informaliseringsthese. Vooral dat laatste kost veel woorden.

Andere perspectieven krijgen daardoor geen of nauwelijks aandacht, zoals de roltheorie, het symbolisch interactionisme, het dramaturgische perspectief van Ervin Goffman, de referentiegroepentheorie. Ze passen niet bij het ontwikkelingsmodel en de koppeling tussen micro- en macroniveau van de sociale werkelijkheid, twee hoofdkenmerken van de civilisatietheorie. Ook besteedt Wouters weinig aandacht aan het werk van auteurs die zich met de thema's man-vrouw relaties en sterven en dood hebben beziggehouden. Het eigen betoog wordt geheel en al opgebouwd en verdedigd binnen de eigen vesting, het kader van de civilisatietheorie, in de eerste plaats met Elias en dat gebeurt in de tekst zelf, in tweede instantie ook in voetnoten, met collega's uit de kring rond Elias. Zo wordt het probleem van een te uitgebreide literatuurreferentie over sociale stratificatie opgelost door uitsluitend te verwijzen naar een drietal artikelen van Joop Goudsblom.

Wouters had meer mogen ingaan op de veranderingen in omgangsvormen door deze in verband te brengen met de verzwakking van de groepsmoraal ten gunste van enerzijds het privegeweten en anderzijds het formeel juridisch systeem. Aan de ene kant hoor je vaker van: “ Ik maak zelf wel uit wat ik doe, “ en aan de andere kant zien we een toeneming van rechtsregels. Informalisering gaat blijkbaar samen met subjectivering en juridisering (een vorm van formalisering). Die verbinding laat Wouters onvoldoende zien. Ook lijkt me dat de versoepeling van omgangsvormen heel goed kan samengaan met toenemende rationalisering en formalisering van omgangsvormen in bijvoorbeeld het bedrijfsleven, de wetenschapswereld en de overheidsbureaucratie. In het boek wordt uitsluitend gesproken over elkaar opvolgende fasen van formalisering en informalisering. Maar terwijl we in bepaalde levenssferen soepeler met elkaar omgaan, nemen we elkaar steeds meer in de houdgreep met regels en afspraken, circulaires en telkens nieuwe plannen tot reorganisatie. De deskundige, met opgestroopte mouwen en een losjes geknoopte das, die regels en procedures voorstelt, is een vertrouwde figuur geworden in bedrijven en organisaties.

Waar onderhandelen in de plaats komt van bevelen, waar originaliteit de rol van rituelen overneemt, waar persoonlijke keuze de overhand krijgt boven groepsoordeel en waar voorschriften moeten wijken voor improvisaties wordt het leven er niet gemakkelijker op.

RITUELEN

Dit is de eeuw van het psychologiseren. Er staat een premie op gedrag dat getuigt van originaliteit en bezit aan persoonlijkheid. De hierdoor toegenomen psychische druk kan ertoe leiden dat de behoefte aan (re)formalisering toeneemt. Conventies, cliches, ritueel en ceremonieel kunnen dan bevrijdend werken. Dat hoeft niet samen te gaan met een idealisering van het verleden en een terugverlangen naar de omgangsvormen van vroeger. Wouters ziet informeel gedrag als iets dat hoort bij een realistische levensorientatie van mensen voor wie rituelen 'doorzichtige vormen van bezwering en afweer' zijn geworden. Ik concludeer hieruit dat hij zelf voorstander is van verdergaande versoepeling van omgangsvormen en nivellering van machtsverschillen. In een voetnoot op bladzijde 285 bekent Wouters zich tot dit waardeoordeel. Hij onderschat volgens mij de bevrijdende en weldadige werking en betekenis die rituelen kunnen hebben, ook voor postmoderne lieden, die deze gedragsregels om die reden juist weer willen cultiveren. De zoektochten naar informele vormen van liturgie hebben destijds vermoedelijk ook heel wat kerkgangers teleurgesteld vanwege het oeverloze subjectivisme dat zich vervolgens manifesteerde in woord, gebaar en muziek.

Wouters laat goed zien hoe versoepeling van omgangsvormen tot gedragsonzekerheid kan leiden en hoe normen van zelfbeheersing erdoor worden opgeschroefd. Meer speelruimte in omgangsvormen bevoordeelt het talent dat in staat is het spel ook te spelen. Zo verklaart Wouters de agorafobie aan het einde van de vorige eeuw uit de angst voor statusverlies. De hogere klasse moest zijn 'besmettings- of dalingsangst' zien te overwinnen in de toenemende contacten met lager geplaatsten. Wie dat niet kon, liep kans psychisch in de knoop te raken.

Door het informeler worden van relaties worden mensen meer gevoelig voor het spel van toenaderen en afhouden. Ook wordt een grotere zelfbeheersing van betrokkenen verwacht: “ De omgang tussen de seksen is erotischer geworden, tegelijkertijd zijn we ook gevoeliger geworden voor seksuele intimidaties en seksueel geweld.” Voor de staat is op dit gebied de zorg niet afgenomen. In 1931 werd in het Regeeringsrapport inzake het dansvraagstuk gewaarschuwd tegen 'het verval der zeden' vanwege 'de zinneprikkelende plaatsing der beenen' tijdens de dirty dancing van weleer, bij de foxtrot en de charleston. Eind jaren tachtig laat de regering onderzoek doen naar ongewenste intimiteiten op het werk.

STEWARDESSEN

De dwang tot zelfbeheersing als gevolg van het informeler worden van omgangsregels staat ook centraal in het hoofdstuk over de toegenomen beheersingstechnieken en gedragsstrategieen van mensen die emotie-arbeid verrichten zoals stewardessen, die een evenwicht moeten zien te handhaven tussen formeel en informeel handelen. Vroeger had het cabinepersoneel te maken met 'rijke-mannen-in-elkaars-goede-gezelschap', tegenwoordig met een bonte verzameling van reizigers. Stewardessen mogen zich niet te amicaal gedragen, dat lokt verloedering uit, zo vertelde een van de geinterviewden. “ Je moet flexibel kunnen reageren en leren op subtiele manier van je af te bijten.” Dat laatste geldt min of meer ook voor het staatshoofd, dat zich informeler is gaan gedragen, wat een grotere beheersing vraagt van de grenzen tussen prive- en openbaar optreden. Maar ook hier is sprake van informeler gedrag. Koningin Beatrix mag in het openbaar een knipoog geven.

In het laatste hoofdstuk, waarin processen van democratisering en informalisering op mondiale schaal worden beproken, zou je verwachten dat de auteur zou ingaan op het informeler worden van de internationale betrekkingen. Je denkt dan aan een hoofdstuk over de versoepeling van protocol en ceremonieel in de wereld van het diplomatieke verkeer. Dat onderwerp zou mooi hebben kunnen aanaluiten bij het hoofdstuk over het informelere gedrag van koningin Beatrix. Jammer genoeg moest het boek met een allesomvattend onderwerp afsluiten: de ongelijkheid tussen rijke en arme landen.

Maar men kan het niet iedereen helemaal naar zijn zin maken.

    • A. M. Bevers