Gerhard W. Kernkamp; Geschiedschrijver tussen woord en daad

G. W. Kernkamp. Historicus en Democraat 1864-1943

door Leen Dorsman

317 blz., Wolters-Noordhoff-Egbert Forsten 1990, f 60, -

ISBN 90 6243 116 X

Terugblikkend op de jaren 1890 schreef Johan Huizinga in zijn biografie van Jan Veth (1927): “ Het woord was aan de constructieve geesten.” Huizinga had daarbij vooral de culturele vernieuwingen in dit decennium op het oog: de tijd van Tachtig was voorbij, er was behoefte aan meer stijl en stelligheid. Negentig betekende echter niet alleen een wending der geesten; ook op politiek en sociaal vlak was er beweging. De brandende kwesties waren het 'sociale vraagstuk' en de uitbreiding van het kiesrecht. Zij leidden niet alleen tot een herschikking van het bestaande partijpolitieke landschap in Nederland, maar ook tot de modernisering van een staat die steeds meer natie werd.

De Utrechtse historicus Gerhard Wilhelm Kernkamp (1864-1943) was - meer nog dan zijn generatiegenoten en latere collegae-historici H. Brugmans, H. Th. Colenbrander en Huizinga - een man van Negentig. Reeds vanaf 1890, het jaar van zijn promotie, engageerde Kernkamp zich actief in de vernieuwingsbewegingen. Hij nam afstand van de 'belegen idealen' van Tachtig, opteerde op politiek vlak voor het radicalisme en zocht naar vernieuwing in de geschiedschrijving. Toen de conservatieve historicus F. J. L. Kramer in 1893 in zijn Utrechtse oratie De Wetenschap der Historie het monopolie van de oude politieke geschiedenis verdedigde en de nieuwe Duitse Kulturgeschichte afdeed als een gevaarlijk produkt van 'democratische meeningen', reageerde Kernkamp verontwaardigd. Wat was er mis, zo vroeg hij zich hardop af, met historici die zich in de strijd tegen vooroordeel en onrecht mengden?

Een antwoord kreeg hij niet, maar de behoudsgezinde krachten van de historische wereld lieten hem korte tijd later voelen wat zij van zijn opmerking dachten. In 1894 kwam de Groningse leerstoel in de geschiedenis vrij en de Faculteit beval Kernkamp omwille van zijn goed ontvangen proefschrift (De sleutels van de Sont. Het aandeel van de Republiek in den Deensch-Zweedschen oorlog van 1644-45) als nummer een bij de curatoren aan. Maar Robert Fruin, de om advies gevraagde nestor van de Nederlandse historici, liet de curatoren weten dat een radicaal als Kernkamp niet op de katheder thuishoorde. Fruins woord was wet en Kernkamp bleef wat hij was, leraar te Utrecht.

LINKERVLEUGEL

Uit de recente dissertatie van Leen Dorsman, G. W. Kernkamp. Historicus en Democraat, 1864 - 1943, blijkt dat het Groningse 'incident' Kernkamp niet tot andere gedachten heeft gebracht. Hij behoorde zijn hele leven lang tot de uiterste linkervleugel van het liberalisme en werd lid van achtereenvolgens de Radicale Bond, de Vrijzinnig-Democratische Bond en de Economische bond van M. W. F. Treub. Zijn collega-historicus F. C. Gerretson bracht hem in 1937 nog onder bij de 'vrijzinnige staatspaapjes'.

Als politicus was Kernkamp ongetwijfeld een pragmaticus. Toch toonde hij zich op vele punten (zoals de kwestie van het algemeen stemrecht) niet bereid tot compromissen en hield hij er eigenzinnige ideeen op na. De sporen daarvan kunnen worden gevonden in zijn omvangrijke journalistieke oeuvre. Want behalve geschiedkundige was hij ook journalist: van 1894 tot 1895 was hij redacteur van het Zondagsblad van het dagblad De Amsterdammer, van 1902 tot 1930 redactiesecretaris van het links-liberale maandblad Vragen des Tijds en van 1920 tot 1929 hoofdredacteur van het weekblad De (Groene) Amsterdammer (waarin hij ook al sinds de jaren 1890 publiceerde).

In zijn journalistieke artikelen sprak Kernkamp vrijuit. Of het nu ging om het misbruik dat in conservatieve en anti-revolutionaire kringen van het begrip 'Oranje' werd gemaakt, of om de grenzen van de Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog, om de kwaliteit van de democratie tijdens het Interbellum, of om de geestdrijverij van de Groot-Nederlanders, altijd ging hij recht op zijn doel af. Hij streed met open vizier, noemde een kat een kat en schuwde geen polemiek.

Kernkamp nam risico's, en dat bracht hem meer dan eens in aanvaring met politiek gelijkgezinden. Zo onthult Dorsman ondermeer hoe Kernkamp in 1917-1918 in conflict raakte met H. P. Marchant, de politieke leider van de VDB. Deze oordeelde dat Kernkamps strijdbare artikelen in Vragen des Tijds de Nederlandse neutraliteit in gevaar brachten. Kernkamp was immers steeds meer een anti-Duits standpunt gaan innemen. Hij meende dat de Nederlandse regering zich door de Duitsers onder druk liet zetten en dat de bevolking daarvan op de hoogte diende te worden gebracht, ongeacht de terughoudendheid die de regering van de pers verlangde.

Deze zelfde strijdbaarheid tekende ook Kernkamps historisch werk, “ Ranke, “ zo leerde hij zijn studenten over de Duitse vader van de academische geschiedbeoefening, “ pakt alles met glace handschoenen aan.” Dat was precies wat hij zelf niet wilde. Dorsman schrikt er in zijn dissertatie voor terug Kernkamp als een vitalist te bestempelen. Maar waarom eigenlijk? Huizinga sprak in zijn Herdenking van G. W. Kernkamp uit 1943 terecht van een 'sterk gemarkeerde figuur', waaromheen 'een geur van touw en teer' hing. Zelf stak Kernkamp zijn bewondering voor de Duitse historicus Heinrich von Treitschke niet onder stoelen of banken. Inderdaad, dezelfde Treitschke die bekende dat zijn bloed 'te heet was om historicus te zijn' en niets moest hebben van Rankes objectiviteitsideaal. Dichter bij huis is er nog een duidelijker voorbeeld van Kernkamps voorkeur voor strijdbare karakters: in een voordracht in 1907 roemde hij de hartstochtelijke negentiende-eeuwse rijksarchivaris R. C. Bakhuizen van den Brink als een 'brutale beul' met een 'weelderige levenskracht'.

WAPENGEKLETTER

Kernkamp betreurde dan ook de matheid van de Nederlandse geschiedschrijving van zijn dagen: “ Beginsel botst niet meer tegen beginsel. Het wapengekletter verstomt. In de stilte der studeerkamers wordt het onderzoek van het verleden voortgezet, maar de mededeeling van de resultaten wekt geen strijd, waarvan het gerucht het gansche land vervult. Ten hoogste een geleerdentwist, waarbij veel inkt stroomt, maar geen hartebloed.” Bloedarmoede dus, vond de Utrechtsde historicus, en dat om de nationale eendracht niet te verstoren!

Dat spel wilde Kernkamp niet meespelen. Toen hij in 1901 dan toch hoogleraar werd, niet in Groningen maar in Amsterdam, koos hij voor zijn oratie een thema dat de gemoederen wel degelijk kon verhitten: het historisch materialisme. Met zijn Over de materialistische opvatting van de geschiedenis provoceerde hij links en rechts. De marxisten verweet hij een star determinisme 'made in Germany'. Hij daagde hen uit het historisch materialisme meer bestaansrecht te geven door concreet historisch onderzoek te verrichten. De tegenstanders van het historisch materialisme vroeg hij hun politieke vooroordelen te laten vallen en meer openheid voor de marxistische geschiedbeschouwingen te tonen. Zelf gaf hij het voorbeeld met het advies aan zijn studenten Henriette Roland Holsts Kapitaal en arbeid (1902) ter hand te nemen.

Toen Kernkamp in 1903 het Amsterdamse professoraat voor een Utrechts ruilde (vanwege nimmer opgehelderde redenen), ging hij op dezelfde weg door. Hij schreef waarderende artikelen over het historisch werk van ondermeer de Franse socialist Jean Jaures en trad op als promotor van Willem van Ravesteyn , later kamerlid voor de CPH.

Leen Dorsman lijkt het in zijn boek te betreuren dat Kernkamp slechts zijn instemming met deze gematigde historisch-materialisten betuigde, terwijl hij in zijn Amsterdamse oratie niet het reformisme van Bernstein maar de leer van Marx en Engels op de korrel had genomen. Maar wat dan nog? Dat de links-liberaal Kernkamp nooit socialist is geworden, mede omdat hij een afkeer had van de geslotenheid van het or-thodoxe marxisme, was zeker geen teken van onmacht.

GRENZEN

Kernkamps geschiekundige standpunt ten aanzien van het historische materialisme viel chronologisch samen met de verdere vorming van zijn politieke identiteit. Voor vele leden van de Radicale Bond en later ook van de VDB vormde de bepaling van die identiteit een probleem. Het ging om de vraag waar de grenzen lagen tussen enerzijds een Radicale Bond of een VDB die zich steeds verder verwijderde van de behoudende Liberale Unie en anderzijds een SDAP waarin steeds minder de revolutionaire omverwerping van het bestaande systeem werd gepredikt? Dorsman toont in een van de meest originele passages van zijn boek aan dat ook Kernkamp zich om dit probleem bekommerde. Op politieke meetings trad hij herhaaldelijk rechtstreeks in discussie met Troelstra. Deze gelijktijdigheid van historiografie en politiek illustreert de verwevenheid van beide in Kernkamps denken.

Die verwevenheid is altijd blijven bestaan. Viel er trouwens iets anders te verwachten van een historicus die voortdurend werd geboeid door de actuele politiek en die elke gelegenheid te baat nam om de steriliteit van een geschiedbeoefening zonder levensbeschouwelijke discussie aan te klagen? Kernkamps links-liberale ofwel 'loevesteinse' visie op de Nederlandse geschiedenis was het compliment van zijn politiek radicalisme, meer nog: zij vormden een ondeelbaar geheel. Om slechts een voorbeeld te noemen: met het oog op de politieke strijd tegen het fascisme koos hij in 1935 de vrijheid en verdraagzaamheid in de zeventiende-eeuwse Republiek als thema voor zijn afscheidscollege. Des te verwonderlijker is het dat Dorsmans dissertatie uiteenvalt in twee grote delen (naast een inleidend, informatief biografisch gedeelte): een deel over de historicus Kernkamp en een deel over de politicus Kernkamp.

Dorsman weet natuurlijk ook dat deze structuur een kunstmatige is. Op de voorlaatste bladzijde van zijn boek verantwoordt hij zijn keuze (het klinkt haast als een verontschuldiging!); zij was noodzakelijk vanuit 'compositorisch en onderzoektechnisch oogpunt'. Een door didactische motieven ingegeven keuze dus, maar ook een keuze die het boek enigszins schools en vlak, zonder hoogtepunten en dramatische spanning heeft gemaakt. En hoogtepunten en spanningen waren er voldoende in het drukke leven van G. W. Kernkamp. De continuiteit ervan werd verzekerd door een vanzelfsprekende vrijmoedigheid die Kernkamp schril deed afsteken tegen hen die zich voortdurend in reserves hulden.

Menno ter Braak had het dadelijk opgemerkt toen hij hem in 1936 polste over zijn eventuele steun aan het op stapel staande Comite van Waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectuelen: “ Kernkamp overtrof onze stoutste verwachtingen, door zelf aan de actie te willen deelnemen; hij was geestdriftig op die sympathieke manier van den rationalistischen 19e-eeuwer, die eenvoudig de pest heeft aan mystieken zwendel en den strijd tegen die dingen eigenlijk doodgewoon vindt.”

Die vrijmoedigheid heeft Dorsman bij het schrijven van deze biografie overigens voor problemen gesteld: toen de Duitsers op 10 mei 1940 het land binnenvielen, achtte Kernkamp het raadzaam een groot deel van zijn correspondentie te verbranden omdat zij te belastend voor derden zou kunnen zijn. Daardoor heeft de auteur zich voor zijn studie voornamelijk op Kernkamps uitgegeven geschriften en wel bewaarde collegenota's moeten baseren. En dat zijn er toch nog heel wat. Kernkamp schreef veel en snel (getuige de als bijlage gepubliceerde bibliografie die bijna achthonderd nummers telt), en was bovendien van alle markten thuis: hij publiceerde omvangrijke bronnenuitgaven en korte journalistieke artikelen, uitvoerige historiografische stukken en beschouwingen over eigentijdse problemen, een geschiedenis van de Utrechtse universiteit en overzichtswerken van de algemene geschiedenis, en nog veel meer.

TORSO

Toch blijft de lezer van dit boek achter met de vraag of Kernkamps geschiedkundige werk uiteindelijk geen torso is gebleven. Wat hij als historicus in zijn mars had, heeft hij in zijn postuum gepubliceerde biografie van Prins Willem II (1943) getoond. Maar het lang verwachte boek over Johan de Witt is er nooit gekomen, net zomin als de cultuurhistorische synthese van de zeventiende-eeuwse Republiek. Durfde hij het niet aan zijn kennis van de zeventiende-eeuwse beschaving in een groot werk samen te brengen? Woog zijn bewondering voor Busken Huets Land van Rembrand (1882-1884) te zwaar door? Of miste hij in later jaren de kracht die Huizinga nog wel bleek te hebben toen hij in 1941 zijn Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw publiceerde.

We weten het niet, en ook Dorsman weet het niet. Ook hij heeft zich natuurlijk de vraag gesteld of Kernkamps werk geen onvoltooid geheel is gebleven. Hij aarzelt, wijst op Kernkamps gebrek aan ijdelheid, en vooral op wat Kernkamp wel heeft gepresteerd, maar komt er uiteindelijk niet uit. Misschien mist deze dissertatie daarom een verantwoording.