Geliefde kledingstukken

Zelfs nu ik wat ouder word - soms denken mensen eraan te ontkomen, aan ouder worden - heb ik nog steeds de neiging om oude kleren het eerst te dragen, of nee, dat is niet juist, de minder mooie kleren het eerst te dragen. Op te dragen.

Met andere woorden, het heeft allemaal te maken met weggooien, verspillen, kortom de oorlog, waarmee ik dan onze eigen oorlog bedoel, Wereldoorlog II. Die moet dus wel een enorme indruk gemaakt hebben; maar als je me vraagt: hadden jullie dan honger of gebrek? Nee. Niet echt.

Goed, je had niet precies die kleren die je misschien wilde, of die schoenen, en ik ben ook wel eens naar school gestuurd op wandelschoenen van mijn moeder ('' Dat kan best'' ), maar ik herinner me dat normaal en redelijk vaag, dus ook daar is geen sprake van een jeugdtrauma. Mijn moeder maakte wel een blouse voor me, voor de padvinderij, dit was een verboden organisatie - en dus interessant. Ik zie nog die volstrekt verkeerde kleur groen voor me, die lubberige stof, die afwijkende borstzakken-met-kleppen, maar quand meme een uniformblouse, compleet met de lintjes van de otters aan de zelf uit een van de panden geknipte epauletten, want dat had geen enkele blouse in die tijd, epauletten. De Style Militaire was nog niet geboren.

De oorlog was nog niet afgelopen of we kregen, via een stieftante van me, die een rond Amerika varende man had, kledingpakketten uit de States: bijeengeraapte tweedehands kleding, dus precies dat wat ik nodig had - iets anders, iets buitenlands, en bovenal iets Amerikaans.

Een van mijn favorieten was een houthakkersblouse waarmee ik, zeer incongruent, bij Grieks en Latijn zat met de gedachte dat ik wel een heel bijzonder iemand was, zo. Graag mocht ik ook het lichtblauwe pak aan, met een diagonaal geweven, wat dunne stof, waardoor de pijpen van de broek, zodra de vouw er een beetje uitging, naar links gingen hangen. Dit pak droeg ik natuurlijk alleen bij uitjes en schoolfeestjes, met een overhemd van mijn stiefvader eronder, plus een Amerikaanse das uit het pakket die weliswaar aan hem was toebedeeld maar die ik mocht dragen. Nogal dikke paisley-stof, zwart met iets paarsigs, een van de eerste dassen die me bij is gebleven, want als ik hem omdeed had ik dat gelukzalige gevoel van iemand van zestien of zeventien die naar een feestje gaat. Eerst uren onder de douche (alsof je dat kon zien), dan after shave op (ik denk dat we de Old Spice-periode net achter de rug hadden - Pitralon was gelukkig aan me voorbijgegaan), dan dat overhemd aan (extra knoopje aan twee bandjes om de kraag om de das te houden) plus die das.

Geluk.

En die schoenen.

Die schoenen waren van Bally Zwitserland - er was toen nog geen andere Bally - en ze hadden me uit de etalage al dagen aangetuurd: de eerste, de allereerste loafers. Geen veters dus. In Nederland onbekend. Ik kan ze nog uittekenen. Mijn ouders hebben in een vlaag van ongelooflijke aardigheid, mijn stiefvader voorop, mij het geld voor die schoenen gegeven. Zij wisten dat mijn onmiddellijke toekomst ervan afhing, dat die schoenen mij juist die steun en die veerkracht zouden geven om mij door die woelige periode te slepen. Zitten bleef ik toch, daar had men zich bij neergelegd, maar niettemin kreeg ik de 42 gulden, dat astronomische bedrag, voor die twee lichtbruine stappers, sloffen zoals men ze zou noemen. “ He, daar loopt er eentje op sloffen!” werd me naar het hoofd geslingerd, maar fier stapte ik dan voort, hen vergevend voor hun onwetendheid. Dit waren immers loafers. Loafing through life, maar dat wist ik toen nog niet.

En de jas.

Misschien dat het films als Coastal Command, The Way Ahead en Convoy to Murmansk waren die me een voorliefde deden opvatten voor de houtje touwtje, de duffelcoat.

Ditmaal duurde het wachten langer, en het was mijn tweede stiefvader die er uiteindelijk eentje voor mij meenam uit Engeland, waar hij aanvankelijk geuniformeerd heenvloog omdat niet-militairen vlak na de oorlog niet meegenomen werden op RAF-toestellen. Hij vloog zonder pet, want dat hadden ze zo snel niet meer voor elkaar kunnen krijgen, maar omdat hij toch niet kon salueren, nooit geleerd - en salueren kan alleen met pet in dat leger - zag men hem voor een excentrieke majoor aan, en daar had je er in die tijd duizenden van.

Bij de duffelcoat verviel het dilemma van 'alleen maar dragen bij hoogtijdagen', want een duffelcoat wordt mooier naarmate hij meer slijt. Op het laatst liep ik erbij alsof ik zelf naar Moermansk was geweest en ik trok er, dat moet ik toegeven, het bijbehorende marinegezicht bij, maar ik zei er niets over. Oude oorlogshelden spreken immers niet graag over die tijd. Ik had het overleefd en dat moest voldoende zijn.

Ik zie en ik voel ze nog, pak, das, schoenen, jas. Nooit, nooit meer zal ik ze kunnen kopen. Dat is voor mij niet meer weggelegd, hoe zuinig ik ook ben.

    • van Lennep