Feynman

'Heel geestig meneer Feynman!'

door Richard P. Feynman

320 blz., Aramith 1990, vert. Rika de Kam-Habets ('Surely you're joking, Mr. Feynman!' Adventures of a Curious Character, 1985), f 39, 50

ISBN 90 6834 054 9

Een goed fysicus is nieuwsgierig. Richard Feynman, overleden in 1988, was grenzeloos nieuwsgierig. Toen hem in een bibliotheek een artikel over het reukvermogen van bloedhonden onder ogen kwam, toog hij na lezing onmiddellijk aan het experimenteren. Feilloos wist hij boeken die zijn vrouw had aangeraakt te identificeren en thuis kroop hij op handen en voeten over het tapijt, driftig snuffelend, op zoek naar reuksporen die hij op blote voeten had achtergelaten. Met evenveel plezier stortte hij zich op de natuurkunde (voor zijn werk op het gebied van de quantum elektrodynamica ontving hij de Nobelprijs), als op onderwerpen die ver buiten zijn vakgebied lagen maar die zijn nieuwsgierigheid hadden gewekt. Zo maakte hij studie van het gedrag van mieren, verdiepte zich in de Japanse cultuur, gaf zich over aan hallucinaties, leerde vrouwelijk naakt schilderen, ontcijferde wiskundige codes van de Maya's en ontpopte zich als meester brandkastenkraker (zelfs kluizen met atoombomgeheimen waren voor Feynman niet veilig).

Ook was Feynman een verwoed trommelaar. De anekdotes waaruit 'Heel geestig, meneer Feynman!' is opgebouwd zijn opgetekend door Ralph Leighton, na afloop van drumsessies met Feynman. Ze roepen bij elkaar een beeld op van een eigengereide, bijzonder energieke levenskunstenaar. De natuurkunde vervult in de bundel niet meer dan een decorfunctie. Maar waar een gedreven Feynman vertelt hoe hij zich op het probleem van het beta-verval stortte, en na een nachtlang succesvol doorrekenen in alle staten raakte, is hij op zijn aanstekelijkst. Een grondige hekel had Feynman aan alles wat naar vaagheid zweemde. Filosofen, psychiaters, jezuieten, “ van die lui die en gek zijn en met dikdoenerij en gewiekste hocuspocus indruk proberen te maken “: hij kon ze niet uitstaan. “ Ik wil niet nog een keer van streek raken en daarom ga ik nooit meer naar interdisciplinaire conferenties.”

'Heel geestig, meneer Feynman!' is een vermakelijk boek. Maar na al die oppervlakkige anekdotes krijgt een mens van de weersomstuit behoefte aan wat meer diepgang. Des te opvallender dat het hoofdstuk 'Los Alomos van onderop', met 29 pagina's het langste van de bundel en als enige geen drumsessie-anekdote maar de tekst van een heuse lezing, qua stijl nauwelijks afwijkt. Ook in zijn terugblik op het Manhattan-atoombomproject blijft Feynman de nuchterheid zelve: “ Weet u, voor mij en eigenlijk ook voor de anderen was er een gegronde reden om aan de ontwikkeling van de bom te beginnen. We werkten keihard door om iets te bereiken wat ons plezier en opwinding gaf. En verder dachten we nergens over na. Dat doe je dan gewoon niet meer.”

    • Dirk van Delft