Europese wortels

Hallucinaties op de ochtend na het begin van de oorlog. Met verse gier overladen Hollandse weilanden veranderen de snelweg in een vergiftigde startbaan voor de volgende sortie om Saddam te vernietigen. Zit mijn waterbakje om nachtelijk woestijndauw op te vangen nog op zijn plaats? Tot Hans van den Broek op de autoradio komt, beheerst opgetogen. 'Collega Baker' had hem vlak voor het begin van de aanval gebeld. En toen had hij Lubbers op de hoogte gebracht.

Buitenlandse Zaken en Nederland horen erbij. Collega Baker. Het was het eerste dat de minister op de radio zei. Nadat de minister-president den volke al had opgeroepen: “Laten wij elkaar vasthouden”, want “Ja, ook onze mensen leveren ginds een bijdrage aan het herstel van de internationale rechtsorde. “

Wanneer het oorlog is, komen vragen over het waarom van de oorlog nooit gelegen. Maandenlang was de 'Golfcrisis' een brommende paardevlieg in het beeld van blijvende wereldvrede waar het Westen zichzelf op had getrakteerd. Kohl mocht zijn historische project voltooien en Gorbatsjov kreeg nog net op tijd zijn Nobelprijs.

Nu de crisis een oorlog is, met slachtoffers en tal van kwade kansen varierend van Verdun tot Vietnam, en een nauwelijks voor te stellen kans op stabiliteit in het Midden-Oosten na afloop, blijken Nederland en andere Westeuropese landen toch nog geestelijk onvoorbereid in het conflict terecht gekomen te zijn.

De vrijheid van parlementaire gedachtewisseling wordt naarmate het onvermijdelijke nadert altijd ingeperkt. Zelfs in de meest vrije landen van de wereld. Over de vlak voor het uur U gevoerde debatten in vrijwel alle Europese parlementen hing die schaduw van patriottisme en zijn tegendeel: wie nu gaat zeuren is niet goed geweest in de oorlog.

De Nederlandse Partij van de Arbeid kan zich wat dat betreft troosten. In vooraanstaande Europese kranten zijn haar aarzelingen niet opgevallen. Nederland wordt in The Independent bij voorbeeld robuuster genoemd dan Groot-Brittannie. Een vrij omvangrijke vergissing, misschien te verklaren uit de draagwijdte van onze stem in het internationale debat terzake. Kleine volumes leveren vaker metingsproblemen op.

In Engeland wordt op straat heftiger en in groter getale gedemonstreerd tegen de oorlog dan hier, maar toch heeft de Britse bijdrage aan de Amerikaanse woestijn-operatie moreel en militair van het begin af aan meer voorgesteld dan die van enig ander land. Dat gold onder Thatcher en het geldt onder haar opvolger, zowel voor de regering als voor een zeer ruime meerderheid in het Lagerhuis. John Major blijkt tot nu toe bovendien een zegen van ondemagogische zakelijkheid.

De pacifistische vleugel bij de Britse socialisten heeft in het parlement met de eigen partijleiding van mening mogen verschillen, maar is daarvoor niet op de vingers getikt zoals bij de zusterpartij in Frankrijk wel is gebeurd. In Parijs hebben de tien socialistische volksvertegenwoordigers, die tegen de 'oorlog-nu-het-moet'-motie van de regering hebben gestemd, het recht verloren namens de partij te spreken.

Het debat is in Frankrijk kennelijk lastiger dan in Engeland. President Mitterrand poseert met enig recht als politiek en militair veteraan uit de Tweede Wereldoorlog en de laatkoloniale aftochtoperaties in Vietnam, Algerije en Suez, waar hij claimt grotere rampen te hebben helpen voorkomen. Al met al overheerst zijn lijn dat het nu tot Frankrijks plicht behoort het internationale recht mee te helpen herstellen, zo nodig met sprekende wapens.

Premier Rocard was nog iets vollediger: “(... ) het gaat om het belang en de eer van Frankrijk.” Eerst de olie en dan la gloire. Mitterrands weigering in 1982 aan het 'geslaagde' Britse koloniale avontuur over de Falklands mee te doen strookt met Frankrijks diplomatieke omzwervingen van de laatste weken. Was toen identificatie met een militante kolonie-beheerder schadelijker in ruime, vooral buiten-Europese kring, nu is het evenwicht wankel. Olie en eer versus special relationship met veel Arabische landen. En dat tegen de achtergrond van een labiele regeringspositie en een verdwijnende nationale consensus over buitenlands beleid. Dat de Franse vliegtuigen alleen doelen in Koeweit aanvallen zal wel voortvloeien uit de garantiebepalingen die gelden voor al het aan Saddam geleverde oorlogsmaterieel.

Duitsland ontkwam enigszins aan serieuze overweging van volwassen meedoen. Men gunt Kohl zijn bruidsverlof. De eenwording, de eerste pan-Duitse verkiezingen, een kabinetsformatie, het verschaft de goedgeworden Duitsers een luwte die noodt tot pacifistische opwellingen. Zelfs de Bild Zeitung kwam gisteren op voor de vrede en riep op de Duitse wapenleveranciers van Saddam aan te pakken.

En Nederland? Men hoeft niet na de oorlog geboren te zijn om iets van de emoties van Ria Beckers te kunnen delen. Lubbers was ook recht en vierkant over de ontbijttafel de huiskamer in gestormd met zijn constatering: “hoe droevig ook dat de wapens vandaag moeten spreken, het is ook een investering in de toekomst”.

Onaardig gezegd: ja, een speculatieve investering in de toekomst van George Bush. Nu de Amerikaanse president voor oorlog heeft laten kiezen door de boeman van Bagdad is alleen een goede uitslag een rechtvaardiging voor het hele drama. Een resolute Nederlandse weigering mee te doen is moeilijk voorstelbaar en zou zeker zonder praktisch effect zijn gebleven. Het is alleen de vraag of de argumenten waarmee we in het avontuur zijn beland goed genoeg zijn om stand te houden bij eventuele escalatie.

“Ieder naar zijn maat”, trachtte Lubbers het volk gerust te stellen over de Nederlandse deelname. Maar dat verhult niet dat we maanden collectief niet echt hebben nagedacht over internationaal recht en internationaal ingrijpen. Goa, Timor, Hongarije, Tsjechoslowakije, Afghanistan en nu Litouwen en misschien Estland en Letland - de reeks is lang waar wij onze Europese waarden niet zo militair beleefden als nu.

Gelukkig is er ook in Amerika twijfel. Europese wortels genoeg. De Partij van de Arbeid staat niet alleen. En Nederland evenmin. Er is waarschijnlijk nog tijd genoeg om na te denken over de vraag wat moed en wijsheid is, en wat nauwelijks van lafheid te onderscheiden tactisch vernuft.