Calle de los Ninos

De eerste brief die hij kreeg toen hij eenmaal in functie was, kwam van een jongetje van negen. “Beste burgemeester”, stond er in keurig schoolschrift, “Valparaiso is een grote-mensenstad. Voor de kinderen is hier niks te doen. Kunt u niet wat leuks voor ons bedenken?”

Hernan Pinto Miranda, niet alleen de dikste burgemeester van Chili maar ook de eerste die niet meer door generaal Pinochet is aangewezen, wist dat dit kind gelijk had. In de grootste havenplaats van Chili is na zestien jaar dictatuur weinig meer te halen. Met de buitenlandse schepen zijn ook de plaatselijke industrieen verdwenen. Van de zes textielfabrieken is er nog maar een over en ook die is niet winstgevend. De bedrijvige vissers van weleer lopen in lompen. Ze graaien hongerig in de dozen verrot fruit die op de stoep staan te stinken of hangen laveloos in de kroeg. Soldaten van amper twintig bewaken de marinegebouwen met een mitrailleur op de heup. Kraag omhoog, want het kan flink waaien. In de kronkelstraatjes die Pablo Neruda vanuit zijn huis van de rotsen bezong, kun je nu voor weinig geld een kind huren. De andere kinderen spelen tikkertje tussen de loodsen op de kade of rijden mee in de walmende, lege bussen die met een noodgang door de stad razen. “Valparaiso es feo”, zeggen ze in Chili, het is er niet pluis. Niet bepaald een prettig voorland voor de burgers van de toekomst.

Vandaar dat burgemeester Pinto de brief van dat jongetje uit de post viste. “Zondag is vanaf nu kinderdag”, zei hij op de eerstvolgende raadsvergadering en de week erna gaf hij persoonlijk opdracht om gekleurde bordjes te maken met een nieuwe straatnaam erop: Calle de los Ninos, kinderstraat. Elke letter heeft een eigen gezichtje. Die bordjes worden elke zondagochtend vroeg over die met Calle Pedro Montt gehangen. Die straat, midden in het centrum, wordt voor een dag afgezet voor alle verkeer. Verder laat de burgemeester tijdens de ochtendmis dozen vol straatkrijt klaarleggen en bestelt hij elke zondag clowns, grappenmakers, goochelaars, ballonblazers en zangers. “Alles is gratis”, verordonneerde Pinto, want hij wist ook wel dat de helft van de kinderen anders thuis zou moeten blijven. En zo komt Valparaiso weer langzaam tot leven.

In het verzakte prieel op het Plaza de Victoria, beginpunt van de Calle de los Ninos, speelt altijd wel een schoolorkestje. Niks Fur Elise, maar liedjes van The Beatles en Julio Iglesias. Levensgrote pluche beesten lopen snoep uit te delen en er zijn clowns op stelten die volwassenen op hun nummer zetten. Zoals die vader die zich inschreef voor de kinderquiz. Voor straf moet hij een play-back-show houden op het podium, van Sinead O'Connor, die kale zangeres die hier zo populair is. De kinderen gillen van het lachen. Kinderfanfares draaien de hele dag in twee rijen gedisciplineerd rondjes op straat. De kleintjes, de trommelaars, zijn na een paar uur zo moe dat die twee rijen elkaar allang niet meer op de aangegeven stip kruisen. Met hun pet scheef op hun gezicht houden ze bovendien de brandweer in de gaten, die een grote glijbaan installeert. Wie durft, mag straks van driehoog naar beneden. Tussen tien en vier mogen de kinderen ook in de bomen klimmen.

Uit de wijde omtrek komen ze naar Valparaiso, op zondag. De meeste kinderen nemen hun ouders mee die, als ze niet ergens lopen te zingen of met ballen staan te gooien, taart eten in een van de pastelaria's. Dat was natuurlijk precies de bedoeling van de burgemeester. Door de week ontvangt hij handelsdelegaties uit Japan, vliegdekschepen uit de Verenigde Staten of Bram Peper, de burgemeester van die belangrijke havenstad aan de andere kant van de wereld. Met hen maakt hij afspraken waarvan zijn stad misschien over een jaar of wat de vruchten plukt. Maar hij weet tegelijkertijd dat Valparaiso ook de misere kwijt moet, de armoe, het verdriet. Daarom treedt hij een dag per week af.

Op die dag zwaaien kinderen de scepter en eet hij taart, beide overigens niet tot zijn ongenoegen. Ze zeggen dat er nergens in de stad zo hard gelachen wordt als op zondag, in de Calle de los Ninos.

    • Caroline de Gruyter