Bewaker van de republikeinse top

Kolonel b.d. G. J. Maarseveen over de gevangenschap van Soekarno, Sutan Sjahrir en Hadji Agus Salim tijdens de Tweede Politionele actie in december 1948

Op maandag 20 december 1948 opende het Algemeen Handelsblad met een kop over de volle breedte van de voorpagina: NEDERLANDSE TROEPEN BEZETTEN DJOKJA. En daar onder: Soekarno, Hatta, Salim e.a. geinterneerd. De Tweede Politionele Actie was begonnen. Over brede fronten op Java en Sumatra hadden meer dan 100.000 Nederlandse en KNIL-militairen een aanval ingezet op de gebieden die sinds de Eerste Politionele Actie (zomer 1947) in handen waren van de Indonesische nationalisten. Met geweld hoopten generaal S. H. Spoor en zijn medestanders een eind te maken aan het langdurige republikeinse geweld, waarvoor de te bezetten gebieden als uitvalsbasis hadden gediend. Vooral van de aanval met luchtlandingstroepen op het hoofdkwartier van de rebellen - Djokja(karta), op Oost-Java - werd veel verwacht. De grootste 'raddraaiers', president Soekarno voorop, konden daar worden gescheiden van hun malafide aanhang, met alle heilzame effecten van dien. En zo geschiedde.

1.500 kilometer ten noordwesten van Djokja, op Noord Sumatra, was de reserve-luitenant G. J. Maarseveen van de 9e afdeling veld-artillerie sinds het startschot van de actie druk geweest met luchtwaarnemingen. Vanuit een pipercup trachtte hij vijandelijke stellingen in het oerwoud te lokaliseren.

Maar in dat programma kwam onvoorzien verandering. Op 23 december 1948 noteerde hij in zijn dagboek: “Gisteren heeft de majoor opgedragen legering, bewaking en verzorging voor te bereiden voor drie gasten uit Djokja. Vandaag zijn ze aangekomen (... ) Het bleken te zijn Soekarno, Sutan Sjahrir en Hadji Agus Salim” - ofwel: de president, de oud-premier en de minister van buitenlandse zaken van de Republik Indonesia.

Het is inmiddels ruim 42 jaar later. Maarseveen, kolonel b.d., gaat binnenkort met pensioen als medewerker van het instituut Clingendael, en kan ondermeer terugzien op een gevarieerde staat van dienst langs de evenaar. Eind jaren vijftig was hij commandant van een luchtafweer-batterij op Nieuw Guinea, en eind jaren zeventig militair attache op de ambassade in Paramaribo annex hoofd van de militaire missie. Hij onderhield daar frequent contact met Desi Bouterse. Maar dat hij twee spraakmakende chefs van ex-'tropisch Nederland' van nabij meemaakte, ziet Maarseveen als toeval. “Ik kan me niet voorstellen dat ze mij militair attache in Suriname hebben gemaakt omdat ik Soekarno ooit nog eens had bewaakt.”

Terug naar 1948. De arrestatie van de republikeinse leiders had wereldwijde aandacht getrokken. DUTCH TAKE CHIEFS AND JAVA CAPITAL, luidde de openingskop van de de New York Times op 20 december en vier dagen later had de Veiligheidsraad van de VN een resolutie aangenomen waarin om de vrijlating van de republikeinse leiders werd gevraagd - vrijwel precies toen ze kennis maakten met Maarseveen. Dat gebeurde in het plaatsje Berastagi, 1500 meter hoog aan het eind van een doodlopende weg met 68 haarspeldbochten, waar de drie op 22 december om 19.00 uur waren afgeleverd.

“Ik was daar niet bij”, aldus Maarseveen. “Van anderen hoorde ik dat ze met een vliegtuig naar Medan waren gebracht, en vandaar met ontstellend veel veiligheidsmaatregelen naar Berastagi. Met pipercups en mustangs in de lucht, en pantserwagens voor en achter de colonne. In Berastagi zat tot dat moment alleen onze afdelingsstaf, en voor de bewaking kwam daar wachtpersoneel bij. Steeds vierentwintig man met een officier, die na een etmaal werden afgelost.”

Aldus had ook Maarseveen twee keer dienst. Soekarno, Sjahrir en Salim zaten vast in de pasanggrahan, het logementsgebouw van het Binnenlands Bestuur. “Toen ik ze voor het eerst zag waren ze al een beetje op hun gemak. Mijn commandant was majoor Geelkerken, in de burgermaatschappij hoofd van een Christelijke school in Goes, en met hem hadden ze al twee dagen contact. Hij stelde me aan ze voor. Gewoon netjes een hand gegeven. Het ging allemaal keurig, alsof je in Nederland op visite was. Ze hadden bijna de hele pasanggrahan tot hun beschikking en mochten gelucht worden, zoals we dat noemden. Ze werden ook heel goed verzorgd - door Indonesisch burgerpersoneel, dat overigens ook in de pasanggrahan geconsigneerd was om ieder contact met het republikeinse leger te vermijden.”

Van Soekarno verscheen in 1965 een autobiografie, opgetekend door de Amerikaanse journaliste Cindy Adams, waarin over Berastagi ondermeer het volgende: “De vrouw die voor ons kookte mocht me wel. Op de middag van de tweede dag dat we er waren, sloop ze trillend van angst de kamer binnen. 'Meneer', zei ze bevend, 'ik vroeg daarnet wat ik morgen voor uw avondeten moest koken, en de officier van de wacht zei: helemaal niets, Soekarno wordt morgenochtend doodgeschoten.' Ik was nog nooit zo bang geweest. Het koude zweet brak me uit. (... ) Die nacht drong het plotseling tot onze bewakers door dat Berastagi niet te verdedigen was. Ze overlegden snel wat ze moesten doen, en de volgende morgen heel vroeg gingen we op weg. Ze namen er niet eens de tijd af om me te vermoorden.”

Maarseveen herinnert het zich totaal anders. Volgens zijn dagboek waren Soekarno c.s. geen drie maar tien dagen in het bergdorp, en was in ieder geval zijn relatie met de gevangenen erg prettig. Wel weet hij dat zijn soldaten soms slechte ideeen hadden. “Van onze afdeling van 200 man waren er al drie gesneuveld in gevechten met het leger van de republiek, en mijn mannen zeiden soms: 'Waarom knallen we die lui niet neer? Zeggen we gewoon dat ze wilden vluchten.' Dan moest ik ze uitleggen dat de bewaking ons door Den Haag was toevertrouwd. Dat mochten we niet beschamen. De soldaten zelf hadden weinig of geen contact met de gevangenen, maar ik sprak wel met ze. Gewoon over koetjes en kalfjes. Ik had ook allerminst het gevoel dat we gehaat werden.”

In zijn dagboek noteerde de luitenant op 27 december over zijn tweede wachtdienst: “Ze zijn uiterst correct en maken ondanks alles een goede indruk. (... ) Prikkeldraad, schijnwerpers, uitgebreide wacht. Met de gemasseerde Soekarno, de hormonen-minnende Salim en de stille Sjahrir zitten praten over van alles en nog wat. Borrel voor Salim gebracht. Verhoogde waakzaamheid.”

Ter verduidelijking van het bovenstaande: “Toen ze merkten dat ze zo netjes werden behandeld, hebben ze ook hun wensen opgeschroefd. Soekarno moest zo nodig gemasseerd worden. Daar moest een dame aan te pas komen. En Agus Salim moest hormooninjecties hebben. Heeft hij ook gekregen. Alleen Sjahrir had geen bijzondere wensen.”

'Verhoogde waakzaamheid' sloeg op geruchten dat een plaatselijke bendeleider, Selamat Ginting, die nacht een poging zou doen zijn superieuren te ontzetten. “Het is bij geruchten gebleven”, aldus Maarseveen, “maar het was wel angstig. Als er inderdaad een aanval was gekomen hadden we met 24 man weinig kunnen ondernemen, en er waren geen versterkingen in de buurt.”

Het was Maarseveen bekend dat het lot van zijn gevangenen internationaal nieuws was en de verantwoordelijkheid was goed voelbaar. “Ik dacht steeds: laat er in godsnaam niets met ze gebeuren, laten we zorgen dat we dit op een nette manier weer af kunnen schuiven.”

Die wens ging in vervulling. Op 1 januari werden de gevangenen naar een andere plaats overgebracht, en werd de geheimhouding over Berastagi verbroken. Getuige de talrijke foto's van het vertrek waren Soekarno, Sjahrir en Salim op dat moment niet al te ongelukkig: vriendelijk glimlachen ze naar hun koloniale onderdrukkers. Dat die opgewektheid blijk zou kunnen zijn van de innerlijke zekerheid aan het langste eind te trekken, is een hypothese die Maarseveen allerminst verwerpt.

Maar hij heeft ook een hard bewijs dat het verblijf in Berastagi de drie naar omstandigheden goed bevallen was. “Majoor Geelkerken bedacht op het laatst dat hij een verklaring van ze wilde hebben over hun behandeling. Voor het geval dat.” Het opstellen van de tekst werd geheel aan de heren zelf overgelaten, en het resultaat mag wel in de krant. “Uw vriendelijke behandeling (... ) zal ik steeds in dankbare herinnering bewaren”, schreef Salim aan de majoor. “Wilt u mijn hoge waardering overbrengen aan uw ondergeschikten, in 't bijzonder de luitenants Van Dalen, Meyer en Maarseveen. (... ) Ik wens u nog een gelukkig nieuwjaar.”

Sjahrir bewaarde een “naar omstandigheden waarlijk niet onprettige herinnering”. En Soekarno liet weten: “U hebt mij goed behandeld. Ik dank u daarvoor oprecht. U: de officier. Maar bovenal, U: de mens! Moge God u zegenen!”

Maarseveen mocht kort daarop een paar dagen met verlof naar Medan, waar hij onder collega-officieren aanzienlijk minder lof oogstte toen hij de verklaringen liet rondgaan. “Ze keken me aan: 'Waarom heb je ze niet... ? ! Je had de kans!!' Zo werd daar door sommigen over gedacht.”