Als de staat de laatste eer bewijst

Nationale Totenfeiern in Deutschland. Von Wilhelm I bis Franz Josef Strauss. Eine Studie zur politischen Semiotik

door Volker Ackermann

347 blz., geill., Klett-Cotta 1990, f 77, 50

ISBN 3 608 91335 1

Aan de menselijke obsessie met de dood zal nooit een einde komen. Het boek van Volker Ackermann, Nationale Totenfeiern in Deutschland, is er het zoveelste bewijs van. Toch heeft de schrijver een invalshoek gekozen die ons nu eens niet met de emotionele kanten van ieders sterven confronteert, maar juist met de openbare en politieke aspecten van het overlijden van een selecte groep. Hoe werden in Duitsland, van het Keizerrijk tot en met de Bondsrepubliek, nationale rouw en staatsbegrafenis georganiseerd? Welke bedoelingen hadden de uitvoerders ermee, en welk effect hadden de plechtigheden op het staatsvolk?

De vijf Duitse staten sinds 1871 hebben in totaal honderdvierendertig staatsbegrafenissen laten plaatsvinden: slechts vier daarvan in het Keizerrijk, vier in de Republiek van Weimar, nota bene zeventig tijdens het Derde Rijk, vierendertig in West- en tweeentwintig in Oost-Duitsland. In het boek staat daarom de rol van de begrafenissen tijdens het nationaal-socialisme centraal. Dat het er toen zo veel waren, had verscheidene oorzaken. Hitlers eerste doel was expansie naar het oosten. Dat impliceerde het risico van oorlog, en dus had hij de steun van het leger nodig. De band van de nazi's met de militaire top werd versterkt door de tweeendertig staatsbegrafenissen voor hoge militairen, die vooral vanaf 1937 werden georganiseerd. Het is geen toeval dat vanaf dat jaar de oorlogsvoorbereiding ernstig ter hand werd genomen.

Maar nog een tweede factor speelde een rol. Tijdens het Derde Rijk (en later ook in de DDR) kregen voor het eerst niet alleen hoge militaire en staats- en partijfunctionarissen een officiele uitvaart. Ook prominente vertegenwoordigers van allerlei maatschappelijke sectoren viel die eer te beurt, en soms zelfs lieden van eenvoudige komaf. Dat gebeurde uiteraard alleen voorzover dit het regime goed uitkwam. Zo kregen na 1933 de katholieke abt Schachleiter en de televisie-ingenieur Nipkow, en in de DDR letterkundigen als Bertolt Brecht, Arnold Zweig en Anna Seghers een staatsbegrafenis. Ook de slachtoffers van enkele mislukte aanslagen op Hitler, en de achtenveertig mijnwerkers die in 1960 in Oost-Duitsland bij een mijnramp om het leven kwamen, werden met nationele eer ter aarde besteld. Men zou van een 'zeer geleide democratisering' van het verschijnsel kunnen spreken. Soms ontaardde dat in cynische propaganda, zoals toen Goebbels in 1943 een uitvaart liet organiseren voor de burgerslachtoffers van een Geallieerde luchtaanval op Parijs. Met de verslaggeving en de filmopnamen van de begrafenis maakte hij onder de Franse bevolking goede sier.

De twee Duitse totalitaire staten hebben een nog een andere, typisch 'moderne' notie gemeen: het van oorsprong liberale idee van scheiding tussen kerk en staat. In het Keizerrijk symboliseerde de hofpredikant de vanzelfsprekende verstrengeling van die twee zodat de dynastie en de kerk tijdens perioden van nationale rouw en bij begrafenissen hand in hand gingen. In de Bondsrepubliek weten kerk en staat elkaar trouwens op praktisch niveau eveneens te vinden. De helft van alle staatsbegrafenissen vond er in kerken plaats, met als hoogtepunt die van Konrad Adenauer in 1967 in de dom van Keulen. .

WEIDS GEBAAR

In de republiek van Weimar werd aan de scheiding principieel vastgehouden. Toen de sociaal-democratische en ex-katholieke president Fried-rich Ebert in 1925 was komen te overlijden, moest de doyen van het corps diplomatique, de pauselijke nuntius Eugenio Pacelli (de latere paus Pius XII), voor een optreden wachten tot na de plechtigheid in het paleis van de president. Hij trad toen aan de baar en spreidde zijn armen in een weids en dramatisch gebaar, alsof hij (meer namens de kerk dan namens de verzamelde diplomaten) de verloren zoon weer in de Una Sancta wilde opnemen.

Een strikte scheiding, waarbij zelfs zo'n persoonlijk gebaar volstrekt was uitgesloten, werd echter alleen in het Derde Rijk en in de DDR gehanteerd. Hitler moet ooit hebben gezegd dat bij zijn eigen uitvaart in een omtrek van tien kilometer geen priester te zien mocht zijn. In menig opzicht mogen deze beide Duitse staten van elkaar verschild hebben, in hun afkeer van concurrerende levensbeschouwingen staken ze elkaar naar de kroon.

Staatsbegrafenissen dienden heel wat keren politiek-strategische doelen. Zo nam Hitler na het overlijden van de oude staatspresident en held van de Eerste Wereldoorlog, veldmaarschalk Paul von Hindenburg, diens functies over. Bij de begrafenisplechtigheid nam hij meteen de gelegenheid te baat de Reichswehr voor haar nieuwe opperbevelhebber te laten paraderen. In de tijd dat de belangrijkste vooruitstrevende politicus van de Weimarrepubliek, Gustav Stresemann, in oktober 1929 werd begraven, voerden nationalisten en nationaal-socialisten juist actie tegen het zogenaamde Young-plan. Dat plan was net door Duitsland aanvaard en moest onder meer de stabilisering van de internationale verhoudingen dienen. Zo kreeg de uitvaartplechtigheid als vanzelf het karakter van een tegendemonstratie tegen rechts, voor de 'geest van Locarno' en voor de verzoening met Frankrijk. Nog in de jaren zestig gaf Adenauers begrafenis de Amerikaanse president Johnson aanleiding om anderhalve dag voor de officiele plechtigheid in Duitsland rond te reizen en handen te schudden. Op die manier wilde hij de publieke belangstelling op zich vestigen en daarmee De Gaulle de loef afsteken.

Ackermann maakt, zoals gezegd, in zijn Nationale Totenfeiern veel werk van de behandeling van de staatsbegrafenissen in het Derde Rijk. Zijn analyse van redevoeringen en andere begeleidende teksten, maar ook van symbolen en gebaren mondt uit in een karakteristiek van enkele 'archetypen' die ieder een waarde uitdrukten die de nationaal-socialistische staat gepropageerd wilde zien: de Pruisische officier, de fanatische Kampfer (het woord fanatiek kreeg een positieve gevoelswaarde!), de trouwe Gefolgsmann. Van bijzondere betekenis was het type dat een 'personifizierte Synthese' vertegenwoordigde. Daarmee bedoelt de schrijver figuren wier levensloop kon 'bewijzen' dat het nationaal-socialisme zeer goed met andere milieus of levensbeschouwingen viel te verenigen. Dat was bijvoorbeeld het geval met de al genoemde abt Schachleiter, wiens trouw aan het nationaal-socialisme en aan Hitler radicaal en alomvattend was. Zo vermeldt een partijgebonden bron dat, toen Hitler de abt op zijn ziekbed had bezocht, diens polsslag van honderddertig naar vierentachtig terugviel. Daarmee kreeg de Fuhrer onomwonden de kwaliteiten van een roi thaumaturge, de 'genezende koning' uit de Middeleeuwen, toegemeten.

OFFER

Een bijzonder aardig onderzoeksresultaat uit teksten en tekens is in dit verband Ackermanns stelling dat het nationaal-socialisme zichzelf bij gelegenheid van zijn staatsbegrafenissen als een seculaire religie met sterk anti-burgerlijke elementen presenteerde. Zo werd de dood van de betrokkene steeds als een 'offer' voorgesteld, ook al was daarvan in werkelijkheid geen sprake geweest, bij voorbeeld in het geval van zelfmoord. Het grootste 'offer' was gebracht als de dode door een joodse moordenaarshand gevallen was. Daarom kreeg de tot dan onbekende en onbetekenende Zwitserse nationaal-socialist Wilhelm Gustloff een van de meest indrukwekkende staatsbegrafenissen van het Derde Rijk, en werd de dood van de diplomaat Vom Rath in november 1938, na door een joodse aanvaller te zijn neergeschoten, bovendien gewroken met de Kristallnacht.

Maar ook het wegredeneren van het toeval en het omduiden ervan tot noodzaak en zinvolheid, was een echt religieus motief. Dat gebeurde nogal eens bij doden die als gevolg van een ongeluk om het leven waren gekomen. Opvallend genoeg kwamen onder de partijtop auto-ongelukken als gevolg van te hard rijden zo vaak voor dat Hitler ingreep en voor auto's van de partij een maximumsnelheid van tachtig kilometer voorschreef. Door een ander toeval, namelijk het per ongeluk afgaan van een pistool, kwam een zekere Muchow om het leven. Toch verklaarde partijleider Robert Ley bij de staatsbegrafenis plechtig: “ Dieser Tod ist ein Beweis dafur, dass noch ungeheure Opfer gefordert werden, bis wir das Ziel, Deutschland zu erneuern, erreichen.”

Religieuze en antiburgerlijke trekken had ook het proclameren van de onsterfelijkheid van Duitsland als natie, een onsterfelijkheid waarin de overledene eeuwig zou delen door de daden die hij voor dat volk had verricht. Dit moest het dramatische van een dood wegnemen. De goede houding bij een begrafenis was er daarom een van stolze Trauer, in plaats van het zelfzuchtig koesteren van smartgevoelens. “ Der Tod war immer bei uns, “ was een SS-lied dat daarom bij begrafenissen vaak werd gezonden.

Ook de organisatie en uitvoering van de begrafenisplechtigheden heeft de schrijver bestudeerd. Zo blijkt dat de regisseurs het traject van de stoet van het hoogste belang vonden, met het oog vooral op de symbolische waarde van de gebouwen die werden gepasseerd of die zelfs een rol in de plechtigheden speelden. Zoals in Frankrijk de Arc de Triomphe altijd in de route was opgenomen, was dat de Brandenburger Tor in Duitsland, voorzover de uitvaart althans in Berlijn plaats vond. In het Duitse geval was de hoofdstad overigens minder vaak het decor dan Parijs in het centralistische Frankrijk. Gebouwen die tijdens het Derde Rijk om hun symboolwaarde in het traject werden opgenomen, waren in Berlijn onder andere het Zeughaus, voormalig arsenaal van het Pruisische leger, en in Munchen natuurlijk de Feldherrnhalle, die aan de staatsgreep van 1923 herinnerde. In de Weimartijd daarentegen leidden de organisatoren de rouwstoet langs de Reichstag, waar pal voor het gebouw werd gestopt. Op die manier kon het gecombineerde effect van de overleden staatsman, de parlementaire functie van het gebouw en de tekst op de architraaf: 'Dem Deutschen Volke', op de toeschouwers inwerken.

WEINIG WAGNER

Ook de muziekstukken werden met zorg uitgekozen. Wegens de vele staatsbegrafenissen onder het nationaal-socialisme loonde zich hier een kwantificering. Daaruit blijkt zonneklaar dat Beethoven, en niet zoals men wellicht zou verwachten Wagner, bij de nazi-regisseurs het meest geliefd was. Vooral delen uit de Eroica en uit de vijfde symphonie, en de ouverture Coriolanus waren favoriet. Uit Wagners Gotterdammerung werd de treurmars voor Siegfried nogal eens gespeeld. Daarnaast werd er, ook voor 1933 en na 1945, veel marsmuziek ten gehore gebracht en buiten die twaalf duistere jaren ook regelmatig een Bach-koraal.

In een democratie hebben staatsbegrafenissen soms een mobiliserend effect op het volk, of althans het politiek meest bewuste deel ervan. Demonstraties, tegendemonstraties, polemieken en partijdige beeldvorming in kranten en andere media begeleiden vaak genoeg de laatste gang van hoogstverdienstelijke burgers. Het beste voorbeeld hiervan ziet men in Duitsland na het overlijden van 'Weimars' eerste president, Fried-rich Ebert.

Eberts dood had dramatische kanten. Eind 1924 had de rechter bepaald dat de president in strafrechtelijke zin landverrader mocht worden genoemd. Dat hing samen met zijn houding tegenover de staking in de munitie-industrie aan het eind van de oorlog. In verband met dat proces had Ebert een blindedarmoperatie uitgesteld, en dat uitstel was hem fataal geworden. Zo raakten persoonlijke tragedie en politieke conflicten onontwarbaar vermengd. Voor uiterst rechts was de sociaal-democratische president een landverrader, en in de ogen van de communisten was hij een verrader van de arbeidersklasse wegens zijn leidende rol in de novemberrevolutie. In de dagen voor de plechtigheid raakten de politieke gemoederen zo verhit dat de communistische partijkrant voor veertien dagen werd verboden.

Ook op ander niveau was er heel wat getouwtrek, namelijk om de vormgeving van de uitvaartplechtigheid. Het kabinet, een rechtse coalitie, zonder de socialisten dus, wilde vooral de eerste president van de Republiek eren, Eberts familie en de SPD daarentegen ook de partijman. Meer dan de regering had gewenst, kreeg de begrafenis inderdaad het karakter van een demonstratie voor democratie en socialisme.

Het boek van Ackermann is een boeiende en originele studie. Op het gebied van de nieuwste en contemporaine geschiedenis zoeken de historici hun thema's immers bij voorkeur op traditioneel politiek en sociaal-economisch gebied. Het lijkt er wel eens op dat de doorbraak naar cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis zich tot de eeuwen van het ancien regime beperkt of hooguit tot in de negentiende eeuw reikt. In de thematiek van de staatsbegrafenissen echter worden oude en nieuwe aspecten met elkaar verbonden. Dat het boek, oorspronkelijk een dissertatie, op enkele plaatsen door enig Duits geleerdenjargon wordt ontsierd, neme de lezer daarom maar voor lief. Hij krijgt er veel voor in de plaats.

ZACHTE KANT

Staatsbegrafenissen maken deel uit van wat sinds enige tijd door politicologen en historici politieke cultuur wordt genoemd. Dit laatste is onlangs als 'de zachte kant van de politiek' aangeduid. Toegegeven zij dat dergelijke noties niet hard, helder en nauwkeurig te omschrijven zijn, maar de manier waarop staten zich in het collectieve bewustzijn van hun burgers proberen vast te zetten, en hoe ze voor de buitenwereld een beeld van zichzelf ontwerpen, zijn voor de hand liggende vragen. Monumenten en de architectuur van staatsgebouwen, tradities bij de inhuldiging van het staatshoofd, vooral wanneer dat een koning of koningin is, en nationale feestdagen zijn evenzoveel wegen tot het beoogde doel. Ook staatsbegrafenissen horen daarbij. Het zijn, zo bezien, allemaal middelen waardoor de staat als drager van de nationale gemeenschap bij uitstek optreedt. Maar wat is het aandeel van nationale rouw en staatsbegrafenissen in dat geheel? Die vraag heeft de schrijver ontweken. En wie zal het hem kwalijk nemen, want zij is gemakkelijker gesteld dan beantwoord.

Vermoedelijk is zoiets uitsluitend door een systematisch internationaal-vergelijkend onderzoek te beantwoorden. Om daarmee te beginnen: hoe zit het in Nederland met nationale rouw en staatsbegrafenis? Zonder enige pretentie van onderzoek of reflectie lijkt het er niettemin op dat van enige traditie van betekenis op dit punt geen sprake is. Hoe zou het ook anders kunnen? Gemeten naar de hegeliaanse staatsopvatting en de Pruisisch-Duitse praktijk is de staat bij ons maar een niemendalletje. Van het begin af heeft het decentrale karakter van het politieke bestel de geschiedenis van Nederland bepaald. De Nederlandse geschiedenis is vooral de geschiedenis van een maatschappij. In de eeuw die hier ter sprake is, was politieke cultuur dan ook veeleer de cultuur van de verzuilde subsystemen. Iedere kring eerde zijn eigen prominente doden, op zijn eigen manier. Afgezien van leden van het koninklijk huis kwam de staat er zelden aan te pas. Bovendien betwijfel ik of het aandeel van de 'zuilbegrafenissen' in het ontstaan van een zuilgebonden groepsbewustzijn erg groot is geweest, althans in confessionele kring. De verschillende kerken hadden voor dat doel immers talrijke andere middelen beschikbaar: kerkelijke feestdagen, godsdienstige symbolen, het cultiveren van volksdevoties - om maar een willekeurige greep te doen. Omdat de emotionele orientatie op de staat bij ons dus al per traditie gering is, leiden veel Nederlanders na de ontzuiling in politiek opzicht dan ook een nogal cultuurloos bestaan.