A hard day's night is duistere solo over zwart, zwart, zwart

Voorstelling: A hard day's night van Rob de Graaf door Nieuw West. Concept en spel: Marien Jongewaard m.m.v. Hans van der Zijpp. Gezien: 17-1, Felix Meritis, Amsterdam. Nog te zien: in het hele land t-m 23 maart.

“Ik heb het zwart gekozen”, laat schrijver Rob de Graaf de acteur Marien Jongewaard meteen al zeggen aan het begin van de solovoorstelling A hard day's night. Zijn zwak voor zwart blijkt steeds opnieuw, in andere toonaarden en bewoordingen, uit wat Jongewaard zegt over de nacht, over 'zwart water', over gesmolten teer en over het 'smerig zuigen' van zwart. Want “wat wit is geeft licht en is nuttig” en “wat zwart is zuigt alleen maar op - zodat het witte zwak wordt.”

Kiezen voor zwart en er tegelijkertijd zulke slechte eigenschappen aan toekennen - het is een standpunt dat past bij de toneelgroep Nieuw West en hun huisschrijver De Graaf. Men kan hun gebruikelijke stellingname - want die is er altijd, al blijft soms onduidelijk waartegen - een paradox noemen of een provocatie of een hevig romantisch verlangen: waarschijnlijk is het alledrie en geen van drieen. Nog meer dan eerdere stukken lijkt A hard day's night geschreven in een roes. Het is voor velerlei uitleg vatbare ecriture automatique.

Omdat De Graaf zijn stukken altijd schrijft in nauwe samenwerking met de acteurs van Nieuw West is Marien Jongewaard ongetwijfeld meer dan alleen acteur. Hij speelt zichzelf. De rauwheid van zijn stem weerklinkt in meer dan een opzicht in passages als: “Ik ben de baas van mijn stem- van mijn handen- van mijn spieren- van mijn huid- en van alles wat daar achter zit.” Zulke dreigende woorden komen neer op het opeisen van een territoir, hoe minimaal ook, als schuilplaats in een wereld die de zijne niet is en waarover hij de illusie om er iets aan te kunnen veranderen heeft opgegeven.

Skin staat er in zwarte letters op zijn witte voorhoofd en dat woord - consigne van de buitenstaander - is misschien wel de treffende samenvatting van de verwarrende monoloog, die Jongewaard afsteekt. Slechts een zwijgende, enigszins androgyne jongeman ((Hans van der Zijpp) secondeert hem, zo af en toe. Hij slaat Jongewaard zelfs op zijn kale kop, maar dat deert hem niet. Triomfantelijk verschanst in zijn eigen huid en gedachten, is hij onkwetsbaar. Wat ik van dergelijk isolationisme denken moet, weet ik niet en het doet er ook eigenlijk niet toe. Deze voorstelling is nadrukkelijk geen dialoog.