Wat wij zien en horen

Aan het begin van het nieuwe jaar mogen wij altijd in grote op elkaar gezette terracotta potten een vuurtje stoken van afgewaaide takken en verdorde planten uit de tuin. Wij vinden dat het nieuwe jaar vlammend en knapperend moet beginnen.

Onze papa zegt: “Eerst het feestelijke vuurwerk en dan de smeulende reiniging. Het jaar begint met een simpel laagje as waar alles weer uit gaat groeien.” Waar je vooral rekening mee moet houden als je een vuurtje gaat stoken is de richting waaruit de wind komt, anders sta je steeds met betraande ogen in je eigen rook en vliegen de vonken en dwarrelen de schroeiseltjes om je oren.

Toen we de luchtig opgebouwde takken aanstaken steeg er soms alleen maar rook op, heel dik en langzaam alsof er grijze spinnewebben de lucht in zweefden, maar als de wind even fel blies werd het vuur aangewakkerd en loeiden de vlammen met een razend geluid door de dorre takken en stelen en bleven er alleen maar vurige staafjes over die als ze uitgegloeid waren zo wit werden als krijt. We hebben ook nog de kerstboom in brand gestoken, tenminste, we hebben het geprobeerd. Maar hij was zo lang blijven staan dat de naalden in een dikke laag eronder lagen alsof hij op een kleedje van mos stond. Het was dus meer een borstelig takkenstaketsel dat geen vlam wilde vatten. Op den duur heeft onze papa er wat spiritus over gesprenkeld en toen hij dat aanstak zong hij plechtig, 'Introibo ad altare Dei'. Maar er kwamen slechts blauwe vlammetjes over de takken dansen die ineens verdwenen zonder een schroeiplek achter te laten. Onze mama zei dat we aan die kerstboom nog het hele jaar plezier konden beleven als we hem niet met de snoeischaar aan kleine stukjes zouden knippen. Toen ze de mat waar de pot met de kerstboom op gestaan had boven onze vuurtjes kwam uitslaan knetterden de naalden tot vurige nagels. Er zat een diepe ronde moet in de cocosvezel van de mat die er niet meer uitging. Als we van de zomer onze voeten eraan vegen en die cirkel zit er nog in, zien we het kerstfeest weer voor ons en dan voel je je heel vreemd.

We hebben ook wat groene takjes van de winterjasmijn, die gewoon in de hagel staat te bloeien alsof dat het voorjaarszonnetje is, afgeplukt om er een stilleven van te maken. Samen met dorre oude zaaddozen van de doornappels. En we hebben iets heel leuks ontdekt. Onder een afdak hangen een paar roestige teilen die onze papa nooit weg wil doen omdat zijn moeder daar nog zijn truien en ondergoed in gewassen heeft toen hij een kleine jongen was. We mogen er nooit op trommelen of met een stok tegenaan rammen, zo broos zijn ze. In een ervan vonden we een dagpauwoog die er zijn winterslaap deed. Hij hield zich met zijn pootjes aan de bodem vast, heel stevig, daaraan kon je zien dat hij leefde. Toen we het aan onze papa lieten zien zei hij: “Ach, kijk nou toch eens. Mijn moedertje is teruggekeerd om de was te doen.” En toen begon hij zo hard te lachen dat onze mama van het balkon riep: “Wat heb je nou weer.” En toen riep hij naar boven: “De wasmachine kan de deur uit, want Assepoester is als vlinder teruggekeerd.” “Die vader van jullie”, riep ze lachend naar ons. En toen sloeg ze de stofdoek uit alsof ze feestelijk naar ons stond te zwaaien.