Typologie

In 1970 begon Jan Dibbets kleurenfotografie te gebruiken en mede daardoor werd zijn werk af en toe zelfs schilderachtig. Toen kreeg de kunstenaar succes. Over het algemeen wordt dat in Nederland verdacht gevonden - en al gauw hoorde je echte kunstkenners verklaren dat Dibbets natuurlijk water in de wijn gedaan had. Die kleuren waren immers verleidelijk, het oudere werk in zwart-wit was veel beter en zuiverder, aldus de kenners - waarvan een aantal de zwart-witte werken, toen die gemaakt werden, trouwens ook al niets had gevonden.

Met Donald Judd ging het ook zo. Toen die een paar jaar geleden veelkleurige sculpturen ging maken, verklaarde menige Minimal Art-freak dat het nu met Judd gedaan was. Hij had de zuivere principes verraden. Voor het gemak werd even vergeten dat Judd altijd al, ook toen hij eind jaren vijftig nog schilderde, met felle kleuren was bezig geweest. Maar zo werken zulke reacties niet. Als de aanwezigheid van een kunstenaar onvermijdelijk wordt, na een ondergrondse periode waarin slechts weinigen het werk kennen, ontstaat er kennelijk een publiek dat vooral gefascineerd is door het typische 'beeld' van een kunstenaar, en niet of veel minder door zijn ontwikkeling. Daarbij wordt ook het vroege werk geroemd, het zuivere en experimentele, dat een groot deel van het publiek eerder had genegeerd maar dat later, retrospectief, dan als het 'echte' werk wordt gezien. Zo zullen Karel Appel en Constant altijd op de Cobra-periode worden vastgespijkerd. Net zoals een geliefde filmster haar gezicht niet mag veranderen, moet een kunstenaar liefst dat blijven maken wat het publiek, na vele jaren, mooi is gaan vinden.

Mij viel dit vooral op bij reacties die ik las of hoorde op de Kounellistentoonstelling in Amsterdam. Kounellis is onderhand een ster geworden en de tentoonstelling is een gebeurtenis. Omdat de kunstenaar niet aan zijn verleden wil worden opgehangen bevat de expositie maar een enkele verwijzing naar het vroege werk; de meeste werken zijn van de laatste paar jaar. Voor een deel van het publiek is dat misschien een teleurstelling. De mensen willen de 'poetische' Kounellis zien waarover ze gehoord hebben - en waarvan een minderheid, denk ik, af en toe eens wat had gezien. Het gevolg is dat er veel geklaagd wordt: dat het nieuwe werk zo groot is, zo retorisch, zo zwaar. Is dat nu wel de echte Kounellis?

    • Rudi Fuchs