Tacitus over de Romeinse deugden; Al wat barbaars en schandelijk is

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus wist precies hoe een Romein moest zijn. Niet zoals keizer Nero bijvoorbeeld. Die was niet alleen week, wreed en gespeend van iedere zelfkennis, hij bezondigde zich ook aan un-Roman activities. Meedoen met de laatste mode en zingend optreden in het theater, dat is iets voor Grieken. En als een Romein iets niet moet zijn, dan is het een Griek. Het is allemaal te leren uit Tacitus' onlangs heruitgegeven Jaarboeken.

Tacitus, Jaarboeken (Ab excessu divi Augusti Annales); vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door dr. J. W. Meijer. Uitg. Ambo-Klassiek, 601 blz. Prijs fl. 85, - (geb.)

De Romeinse geschiedschrijver Tacitus leefde in de eerste eeuw na Christus. Een weinig opmerkelijke tijd, vond hij zelf. De veroveringsoorlogen die het Imperium groot hadden gemaakt, waren gestreden; de nietsontziende burgeroorlogen van de Republiek waren uitgelopen op de Pax Augusta, de alleenheerschappij van Augustus en zijn nazaten; en de grote daden van de ooit zo fiere Romeinse adel behoorden tot het verleden. Nee, als het aan Tacitus had gelegen, was hij een eeuw of wat eerder geboren. Dan had hij verslag kunnen doen van “de wisselvalligheden van gevechten en de heldendood van veldheren” - destijds de gewoonste zaken van de wereld. Nu waren andere geschiedschrijvers hem daarmee voor geweest. Wat er voor hem overbleef in het recente verleden was eigenlijk te weinig voor een roemvol en stichtend verhaal. In het vierde boek van zijn Annales (onlangs als Jaarboeken heruitgegeven in de Nederlandse vertaling van J. W. Meijer) vraagt hij zich zelfs af of hij zijn publiek eigenlijk wel kan boeien. Want, zo klaagt hij, in tegenstelling tot zijn grote voorgangers heeft hij weinig verheffends te melden: “Ik rijg een snoer van tirannieke geboden, van eindeloos elkaar opvolgende beschuldigingen, van verraderlijke vriendschappen, van 't verderf van onschuldigen, en van steeds dezelfde oorzaken die hebben geleid tot de ondergang van mensen, in een zich opdringende eenvormigheid van feiten, waarvan men dan ook dra zijn bekomst krijgt.”

Dat laatste is in ieder geval niet waar; en ook Tacitus' angst dat de 'beuzelachtigheden' die hij beschrijft de toehoorder zullen vervelen, kan worden afgedaan als valse bescheidenheid, of als de hersenspinsels van een onverbeterlijke pessimist. Bijna 1900 jaar nadat ze werden opgeschreven, behoren de Annales (of zoals ze vroeger werden genoemd De zestien boeken na de dood van de goddelijke Augustus) tot het spannendste en ontroerendste dat de westerse literatuur heeft voortgebracht. En dat komt niet alleen door Tacitus' veelgeimiteerde manier van schrijven - levendig, ironisch, nooit een woord te veel - maar ook door zijn onderwerp. De geschiedenis van de Julisch-Claudische keizers is boeiender dan welke veldtocht ook, terwijl het gekonkel van de gedegenereerde keizers en hun even verdorven vrouwen en ondergeschikten genoeg stof oplevert voor boeken vol drama en melodrama. De perversiteiten van Tiberius, de tragische fouten van Claudius, de wreedheden van Nero - ze zijn bekend uit toneelstukken, boeken, films en televisieseries, maar het was Tacitus die ze voor de eeuwigheid vastlegde.

ZEDELOOS

Samen met de Historiae, Tacitus' andere grote geschiedwerk over de eerste eeuw, gelden de Annales als het hoogtepunt van de Romeinse geschiedschrijving. Net als zijn grote voorgangers Sallustius en Livius interesseerde Tacitus zich voornamelijk voor de geschiedenis van de hogere klasse (waartoe hij zelf als senator behoorde), en hield hij zich bezig met het verleden om zijn tijdgenoten iets bij te brengen. Tacitus was een moralist. Voor hem was de recente geschiedenis een verzameling van exempla - historische voorbeelden die aangaven hoe men zich diende te gedragen. Dat de Annales vooral volstaan met exempla die het tegenovergestelde duidelijk maken, kon Tacitus ook niet helpen. Per slot van rekening beschreef hij 'zedeloze tijden', en niet de hoogtijdagen van de Romeinse Republiek, toen de vrijheidszin en het eergevoel van de aristocratie nog onaangetast waren door de tirannie van de caesaren.

Tacitus' kritische geest, zijn historisch inzicht en zijn pretentie om sine ira et studio ('zonder ressentiment en zonder toegeeflijkheid') te schrijven bestempelden hem lange tijd tot de meest bewonderde klassieke historicus. In de Renaissance werd hij nagevolgd door Machiavelli, Guiacciardini en Montaigne, later onder meer door P. C. Hooft, die hem niet alleen vertaalde, maar ook als model nam voor zijn Nederlandsche Historien. Met de opkomst van de moderne geschiedwetenschap in de negentiende eeuw, boette Tacitus als historicus aan gezag in. Het beeld dat hij van de Julisch-Claudische keizers had geschetst, stemde niet overeen met de werkelijkheid. Tiberius en Claudius, in zijn ogen gevaarlijke degeneres, bleken capabele en doortastende heersers onder wie het keizerrijk floreerde. Zelfs Nero, die mede dankzij Tacitus bekend stond als het summum van slechtheid, werd stukje bij beetje gerehabiliteerd.

Het lijkt er op dat Tacitus zich bij zijn historisch oordeel heeft laten leiden door zijn ervaringen met de tirannieke keizer Domitianus (81-96), wiens paranoia en perversie hij vooral op Tiberius projecteerde. Ook zijn pessimistisch geschiedbeeld - zijn opvatting dat met de oud-Romeinse deugd, de virtus, ook Rome teloor ging - werd wellicht bepaald door het schrikbewind van Domitianus: als senator had hij zich zelf schuldig gemaakt aan de lafheid en hielenlikkerij die hij zijn voorgangers verweet. Wat de redenen voor Tacitus' ressentiment ook geweest mogen zijn, tegenwoordig wordt hij meer gewaardeerd om zijn literaire dan om zijn geschiedkundige prestaties. Het is de vraag of het Tacitus iets zou kunnen schelen. Zoals iedereen in zijn tijd beschouwde hij geschiedschrijving in de eerste plaats als een literair genre, als epische poezie in proza, met veel aandacht voor rhetorica. En in dat genre is hij de ongeevenaarde meester.

De redevoeringen die hij de hoofdrolspelers van de Annales in de mond legt zijn bondig en overtuigend (wat bij Livius wel eens anders is) en blijven de lezer lang bij. Eigenlijk zouden ze hardop moeten worden voorgelezen, zoals dat in Tacitus' tijd gebeurde, maar ook van papier klinken ze indrukwekkend: de trotse woorden van het Britse stamhoofd Caratacus wanneer hij verslagen voor Claudius staat ( “want ook al wilt gij heersen over allen, volgt daar dan uit dat allen de slavernij voor lief nemen?” ); de felle uithalen van Agrippina wanneer zij door een rivale beschuldigd wordt van een complot tegen haar zoon Nero ( “waarlijk, moeders wisselen niet even grif van kinderen als een lichtekooi van minnaars wisselt” ); of de aanklachten van senator Suillius tegen de stoicus Seneca ( “met welk soort van wijsheid, met welk soort van filosofische leerstellingen had Seneca zich binnen het tijdsverloop van vier jaren driehonderd miljoen sestertien kunnen vergaren?” ).

VERLOREN

Tacitus beschreef in zijn Annales de gehele periode 14-68 na Chr., van de dood van Augustus tot aan de burgeroorlogen van het Vierkeizerjaar. De stukken die in de loop der tijd zijn weggeraakt (de boeken zeven tot en met tien, en delen van vijf, zes, elf en zestien) behoren tot de gedroomde klassieken - teksten waarvoor menig literatuurliefhebber zijn ziel zou verkopen. Ikzelf zou het verdwenen tweede boek van Aristoteles' Poetica, waarover zoveel te doen is in Umberto Eco's Naam van de roos, ongezien inruilen voor Tacitus' verslag van het bewind van de krankzinnige Caligula of de laatste uren van de keizer-kunstenaar die in 68 voor de wereld verloren ging. Meer dan extraatjes zouden het trouwens niet zijn, want als literair werk zijn de Annales compleet zoals ze zijn. Heel geraffineerd bouwt Tacitus zijn verhaal op, van het conflict tussen de stugge Tiberius en zijn neef Germanicus, die de belichaming is van de klassieke Romeinse virtus, via de tragedie van de dommige Claudius en zijn gedoemde nageslacht, tot de absolute climax: de strijd op leven en dood tussen Nero en zijn eerzuchtige moeder waarin alle middelen worden ingezet - vernedering, incest, en tenslotte aanslagen en moord.

In een geweldig tempo wordt de lezer rondgeleid in het Rome van de vroege keizers, een plaats “waar al wat barbaars en schandelijk is uit alle hoeken van de aarde samenstroomt en aanhang vindt”. Tacitus beschrijft een wereld die wordt geregeerd door willekeur, waarin niemands leven zeker is. Eerbiedwaardige grijsaards vallen ten prooi aan processen wegens majesteitsschennis omdat ze niet genoeg respect tonen voor keizerlijke standbeelden. Een jong meisje wordt naast de galg verkracht omdat maagden volgens de wet niet terechtgesteld mogen worden. En de bloem der natie, beschuldigd van complotten tegen de paranoide heersers, wordt doodgemarteld of gedwongen 'de eer aan zichzelf te houden'.

Tacitus spaart zijn lezers niet. “Het heeft hier gegolden een strafgericht van de goden over Rome”, schrijft hij in een van de laatste capita, “iets waaraan men niet na er eenmaal summier melding van te hebben gemaakt - zoals men dit doet met nederlagen van legers of met het innemen van steden - verder stilzwijgend mag voorbijgaan”. Maar het geweld is functioneel. De eindeloze reeks verdorvenheden en sterfscenes vormt de sleutel voor die ene dwingende kwestie die Tacitus oproept: hoe dient de ideale Romein zich te gedragen? Wat maakt een Romein een Romein?

Betamelijk

De Annales houden de lezer een spiegel voor. Ze helpen hem bij zijn streven een goed Romein te zijn, en doen dat door alle menselijke slechtigheden breed uit te meten. Het ideaal wordt in de eerste plaats door voorbeelden van het tegenovergestelde opgeroepen: een Romein is niet corrupt, zoals de gouverneurs van Tiberius; niet hypocriet zoals Tiberius zelf; niet slaafs en kruiperig zoals de meeste senatoren; niet besluiteloos als Claudius of verwijfd als Nero. Hij geeft niet toe aan zijn lusten, hij kent zijn plaats, en houdt “maat bij het streven naar roem”. Maar voor alles is de ware Romein behept met Tacitus' favoriete kwaliteit, “gevoel voor het betamelijke”.

Zoals er een waarachtig Romein uit de Annales naar voren komt - de bescheiden Germanicus die groot veldheerschap paart aan morele uitzonderlijkheid -, zo is er een figuur die daarvan het negatief is: Nero. De ijdele en losbandige potentaat wordt afgeschilderd als de absolute Antiromein. Niet alleen is hij week, wreed en gespeend van iedere zelfkennis, hij bezondigt zich ook aan un-Roman activities. Immers, meedoen met de laatste mode en zingend optreden in het theater, dat is iets voor Grieken. En als een Romein iets niet moet zijn, dan is het een Griek. Voor Tacitus was met Nero het dieptepunt bereikt. Lager kon een Romein niet zinken.

Streng, als een toornig god, weegt Tacitus ook de andere figuranten in zijn Romeinse stenen tafelen. De meesten worden te licht bevonden, hoewel er ook zijn die door een waardige, soms zelfs heldhaftige dood iets van hun mislukte leven goedmaken: Seneca bijvoorbeeld, die zich eerst rustig filosoferend de polsen laat openen, en als het bloed wegens zijn leeftijd niet wil stromen ook zijn benen en knieholten; of de samenzweerder Plautius Lateranus die sterft zonder zijn beul 'diens eigen medeplichtigheid te verwijten'.

Als er een gedachte wordt gevoed bij het lezen van de Annales, dan is het wel hoe moeilijk het is om Romein te zijn. De aansporingen van Tacitus zijn op zijn minst tweeslachtig. Wees niet bloeddorstig, maar ook weer niet te vredelievend; dan riskeer je net als de gouverneur Turpilianus beschuldigd te worden van 'vadsig nietsdoen'. Wees niet trots. Eerzucht is prijzenswaard, maar o wee als 'de verdenking van te ver gaande ambitie' op je rust; dan vergaat het je als de perfide Seianus - aan een haak door de straten van Rome en daarna in de Tiber. En wees vooral niet te volmaakt; dan ga je zomaar dood, zoals Germanicus, en hoe krijg je dan nog de kans om waarachtig Romein te zijn?

Misschien dat Tacitus het ook niet wist. Misschien dat ook hij inzag dat de tijd er niet naar was. “Hoe meer ik recente of oude gebeurtenissen in gedachten de revue laat passeren, des te meer zweeft mij voor ogen het marionettenspel dat het toeval speelt met het wel en wee van de mens in al zijn aangelegenheden”.

Misschien is er in de wereld gewoon geen plaats voor echte Romeinen.

    • Pieter Steinz