Satirische verhalen van Henk Romijn Meijer; Gekijf om broodkruimels

Henk Romijn Meijer: De prijs per vel. Uitg. De Arbeiderspers. 182 blz. Prijs fl. 29, 90.

Het is een wonderlijke gedachte om een boek in handen te hebben dat gewijd is aan zijn eigen onbestaanbaarheid. De schrijver ervan knaagt aan zijn eigen wortels door zichzelf en zijn werk in een nogal ongunstig daglicht te stellen.

Wat is namelijk een schrijver, volgens Henk Romijn Meijer in zijn nieuwe verhalenbundel De prijs per vel? Een schrijver is iemand die een fikse hoeveelheid papier vult met woorden waar niemand om heeft gevraagd en waar dus ook niemand op zit te wachten. Een schrijver is iemand die een manuscript aflevert bij een uitgever, die het vervolgens tegen heug en meug laat drukken, in de hoop dat hij althans zijn onkosten er weer uit zal krijgen. “Weet je wat het kost om een vel te drukken?” vraagt zo'n uitgever aan de schrijver, die er beschaamd het zwijgen toe doet. Bescheidenheid siert de schrijver, die blij mag zijn dat zijn boek wordt uitgegeven en die er verder niet op hoeft te rekenen met veel egards behandeld te worden door lezers, critici, kunstredacteuren, professoren in de letteren en studenten.

Henk Romijn Meijer bundelde in De prijs per vel zes eerder in tijdschriften gepubliceerde verhalen - die gemiddeld een jaar of zeven oud zijn - die als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat het steeds een schrijver is die er de hoofdrol in vervult. Peter heet die schrijver. Een achternaam krijgt hij niet, of hij moest werkelijk Peter Asbach heten, zoals hij door een pesterige jongeman wordt genoemd in het verhaal 'Bad trip' tijdens een pijnlijke signeersessie. Asbach. Het had ook Fuilniszack of Sgroothoop kunnen zijn. Romijn Meijer schrikt niet terug voor onwaarschijnlijke, maar symbolisch aandoende namen. Andere schrijvers die in de bundel voorkomen heten bij voorbeeld Johan Zygterop of Henk Oester, Andrea Dommeldracht of Rebecca Hijbaken. Zij schrijven boeken met titels als Boegspriet, Verkeerde keus of Perikels, die dan weer besproken worden door Stief Forystek, Wiebrecht Bandana of Hudebert Jongejans.

Net als in zijn vorige novelle De Amerikaantjes (1989) laat Romijn Meijer zich hier van zijn satirische kant zien, en ook nu heeft de satire een wat wrange en verongelijkte ondertoon, omdat de verhalen voor een belangrijk deel gebaseerd zijn op eigen ervaringen.

Hoeveel waarheid er schuilt in de bundel is moeilijk te zeggen. De liefhebbers van het genre gaan mogelijk handenwrijvend op zoek naar de man die zich verbergt achter de katholieke dichter Fleur Buitengaats en naar het zieltogende bedrijfje dat model heeft gestaan voor Uitgeverij Stom en Stom, of naar de vrouw achter de 'kolomniste' Kandel. Naar enkele modellen hoeft in elk geval niet lang gezocht te worden. Het is niet moeilijk om in de rondborstige uitgever Albrecht die in twee verhalen optreedt met zijn onafscheidelijk sigaar en zijn bulderstem Van Oorschot senior te herkennen. In het laatste verhaal figureert K. L. Poll, vermomd als Egbert Firdywalde, redacteur en criticus van de Beemlandse Bode, met zijn lijst met verboden woorden en uitdrukkingen. Maar juist als het om zulke herkenbare mensen gaat, blijkt hoe hachelijk satire kan zijn. Romijn Meijer weet mij er althans niet van te overtuigen dat Peter, met zijn roddelbeluste en wraakgierige inborst, het volmaakt onschuldige slachtoffer zou zijn van de tirannieke Albrecht en de onberekenbare Firdywalde.

Een meer geslaagd satirisch aspect in de bundel is de rol die drie beroemde schrijvers, Plaatsman, Quark en Marathon, spelen. Zij vormen de maat van alle dingen en gelden, ook al zijn ze allang overleden, nog steeds in brede kring als onbereikbaar ideaal. Het is vooral dit gemakzuchtige dwepen met gevestigde reputaties, dat blind en doof maakt voor mindere opvallende schrijvers, waartegen Romijn Meijer zich in De prijs per vel teweer stelt. Schrijver Peter behoort net als zijn schepper tot die veronachtzaamde schrijvers die het niet van het brede gebaar, het grootse concept, het wereldschokkende thema of de doorknede levensfilosofie moeten hebben. Zij hebben aandacht voor de minder aanzienlijke kanten van het leven. Zo hebben zij een speciaal zintuig voor het geniepige, kruiperige, gierige, zelfzuchtige, achterbakse, jaloerse, ijdele, kortzichtige en burgerlijke in de mens, - voor het kleingeestige en miezerige, dat maar al te vaak aanleiding geeft tot huizenhoge conflicten.

Ook de schrijver zelf toont zich meer dan eens van zijn jaloerse en klagerige kant, al blijft hij het liefst als toeschouwer op de achtergrond. Hij ziet de wereld wantrouwend, maar overwegend lijdzaam aan. Als hij een enkele keer gedwongen wordt op te treden, om voor een zaal vol ongeinteresseerde Groningers 'het betere boek' onder de aandacht te brengen, raakt zijn blik ook meteen vertroebeld, en ziet hij ontelbare bankbiljetten fladderen waar in werkelijkheid de zuinige noorderlingen hun hand waarschijnlijk stevig op de knip houden.

CHAOTISCH

Hoe alledaags en gewoon de verhalen van Romijn Meijer er op het eerste oog ook uit mogen zien, realistisch zijn ze bepaald niet. Het is een chaotische, en door overdrijving tamelijk groteske wereld die hij beschrijft.

Wat in de meeste verhalen van De prijs per vel terugkeert, is het beeld van bedrijvig pikkende en rumoerende spreeuwen in de tuin van de schrijver, in en rondom een krakkemikkig vogelhuisje. Een desolaat beeld, want het is geen gezellig en ook geen vreedzaam gescharrel in die tuin, maar een voortdurende strijd op leven en dood, die volstrekt onnodig wordt gevoerd. De stukjes brood die de schrijver voor hen strooit, het hele jaar door, zijn immers voor hun voortbestaan helemaal niet noodzakelijk. Maar elk stukje brood wordt bevochten, om de eenvoudige reden waarschijnlijk dat ze een ander nog geen kruimel gunnen. Als de schrijver vanachter zijn bureau naar buiten kijkt, ziet en hoort hij die spreeuwen, die zijn visie op de wereld bepalen, en misschien zelfs wel misvormen.

“Luisterend naar het gekijf van de spreeuwen zat Peter aan zijn schrijftafel te haten, “ heet het in een van de verhalen. Misschien is dat wel precies het probleem met deze bundel. Er is veel woede, haat en ergernis in samengebracht tegen uitgevers, critici, lezers, redacteuren, professoren en studenten, maar de agressie is te ongericht en te weinig uitgesproken om gedeeld te kunnen worden. Op die manier gaat het leven inderdaad vanzelf lijken op dat van de spreeuwen: een eindeloos en tevergeefs gekijf om broodkruimels en andere misbaarheden, dat om onnaspeurlijke redenen toch wil worden vastgelegd.

Ik wil me niet heiliger voordoen dan ik ben, maar ik heb me nooit op dergelijke algemene wraakgevoelens weten te betrappen. Er is een betere reden: het recenseren is een verslaving. Niemand wordt als criticus geboren. Maar als je na de nodige oefening een oordelend vermogen ontwikkeld hebt of meent te hebben, dan lijkt een leven zonder oordeel ineens een troosteloze en chaotische boel. Want dat is het wat het schrijven van een kritiek zo bevredigend maakt, als het lukt. Het is prettig om ergens greep op te krijgen. Het boek, ieder willekeurig boek in principe, kan als centrum dienen van waaruit de wereld begrepen kan worden, al is het maar tijdelijk. Of juist niet begrepen, als dat het thema van het boek blijkt te zijn.

    • Janet Luis