Over zwemmen, schaken, boksen en roeien; Trainen met het koppie

Hup! Sportieve verhalen uit de wereldliteratuur. Uitg. Meulenhoff, 234 blz. Prijs fl. 25, -

Ik had het kunnen weten toen ik de bundel Hup! Sportieve verhalen uit de wereldliteratuur bovenop de lokkende stapel van in het Kamerreces te lezen boeken legde. De titel Hup! had me moeten waarschuwen geen epos te verwachten als Temidden der kampioenen of Mysterieuze krachten in de sport van het fameuze koppel Joris van den Bergh en Karel Lotsy, waarvan ik nog steeds een door mij stukgelezen exemplaar (1943, derde druk, gebonden fl. 3, 90) vooraan in mijn boekenkast heb staan. Alsnog van harte aan te bevelen voor iemand als Rudy Kousbroek die blijkens zijn verhaal 'Elite' in Hup! (''... sport is voor imbecielen. Mijn weerzin ertegen dateert al van mijn vroegste aanrakingen met dit universum: de gymnastiekles'' ) gespeend is van iedere affiniteit met de sport. Wellicht dat hij, net als vele generaties die deze klassiekers lazen, geraakt zou worden door alles sport zo boeiend maakt. Het doorzetten als het tegenzit, het respect voor je tegenstanders wat iets anders is dan angst, de sensatie van een optimaal getraind lichaam, de lichamelijke maar vooral mentale uitdaging je grenzen te verleggen. Maar ook het plezier om samen te trainen, het gevecht tegen je zelf meer nog dan tegen je tegenstanders, en evenzeer het leren verwerken van verlies als het onbeschrijfelijke geluksgevoel wanneer het je - als het er echt op aan komt - opeens wel lukt. Mijn zwemtrainers van het eerste uur hebben me ermee grootgebracht ('trainen doe je met je koppie' en 'als je niet meer ervaart hoe fantastisch het is dit mee te mogen maken, kan je beter ophouden') en de inspirerende chef de mission Kees Kerdel bij mijn eerste Olympische Spelen in Rome (1960) was uit hetzelfde hout gesneden.

In Hup! zocht ik deze belevenswereld. Wat dat betreft stelde de verhalenbundel me teleur. Laat ik vooropstellen dat de verhalen stuk voor stuk het lezen meer dan waard zijn. Maar sommige lijken er in deze bundel met de haren bijgesleept, zoals het prachtige verhaal van Nobelprijswinnaar Camilo Jose Cela 'Afspraak met de dood' dat niets te maken heeft met sport behalve het gegeven, in een bijzin, dat de (schijndode) Hermelando leek te sneven bij de hoekvlag van een voetbalveld. Hetzelfde geldt voor het wel geestige verhaal 'Zwemmen' van Carla Boogaards, over de jaloerse echtgenoot van de wat wulpse Lia, die zich voorbereidt op haar diploma reddend zwemmen en daartoe naar zijn smaak te regelmatig en vooral te gretig oefent op de macho Jan Jager, of voor het subtiele 'Man en vrouw in oktoberlicht op voetbalveld' van Jan Siebelink uit de bundel Weerloos (1978) dat zich net zo goed buiten het sportveld had kunnen afspelen. Andere verhalen, zoals de bizarre transformatie van een handelaar in wollen dekens in een prijsstier, het spannende verhaal van Roald Dahl over de tenslotte toch mislopende zwendel met windhonden en zeker het magistrale verhaal van de Russische Maupassant, Aleksander Koeprin, over de zwartbonte draver Smaragd, zijn niet echt sportgebonden en kunnen zo in een nieuwe bundel van Meulenhoff: Dierenverhalen uit de wereldliteratuur.

Ook de meer journalistieke bijdragen, van de inmiddels overbekende beschrijving door Betsy Udink van de kamelenrace in Saoedi-Arabie tot en met de beschouwing van de Italiaanse Primo Levi over de schaakcomputer als tegenspeler, zijn weliswaar leeswaardig maar maken geen andere emoties los dan een herkenning vanaf de zijlijn.

Prijsboksertje

Slechts in een beperkt aantal verhalen komt de sportmens echt in beeld. Met zijn psychologie, zoals in het doorleefde boksverhaal 'Uppercut' van Bertolt Brecht over een onvermijdelijke knock out. Met zijn wanhoop, zoals in het benauwende relaas van een in elkaar geslagen prijsboksertje door de grote Latijs-Amerikaanse schrijver Julio Cortazar, maar ook in het vermakelijke verhaal van de Amerikaan John Updike over zijn moeizame golflessen die nooit tot iets moois zullen leiden. En met zijn mentaliteit van 'doorgaan tot op het tandvlees', zoals in het door Nobelprijswinnaar Gabriel Garcia Marquez opgetekende relaas van een startend wielerkampioen of het beklemmende verhaal van Bernard Malamud over een honkballer die per se ook de achtste vangbal maken moest (”... en knalde met het geluid van een openbarstende schedelpan tegen de muur op die zijn gebroken lichaam omhelsde... “ ). Hier zijn de eerste raakvlakken met het zogenaamde 'sportgevoel' waarneembaar. Maar er ontbreekt nog die vertaling van de echte drijfveer van de sporter.

Die vond ik slechts terug in drie verhalen, verrassend genoeg alle van Nederlandse origine. Allereerst het authentieke relaas van R. Leopold over zijn Elfstedentocht. Sober en indrukwekkend, zonder pathos neemt hij ons mee op zijn barre tocht. Afzien en genieten! Dan is er, geheel anders van aard, het adembenemende verhaal 'Sneeuwval' over een door een lawine overvallen bergbeklimmer die in koortsige vlagen van restrospectie wacht op de reddingspogingen van zijn nog vermiste klimmaatje. Hermine de Graaf levert met dit verhaal - hoewel met geen woord aangeduid - de verklaring waarom iemand zelfs na zo'n ervaring, straks vast toch weer klimmen gaat.

En tenslotte is er, speciaal voor Hup! het door H. M. van den Brink geschreven verhaal 'Dubbel', vol knappe symboliek en dubbele betekenissen. Uitermate trefzeker vind ik de vertolking van het nog eens doorleefde 'sportgevoel' van de roeier in wellicht zijn laatste finish: “Zo vaak had hij zich voorgesteld hoe het zou voelen om de beste te zijn, om beloond te worden voor alle voorbereidingen, het gezwoeg. Iets anders is in zijn herinnering gebleven. Niet het uiteindelijke resultaat maar het moment vlak daarvoor, de moeiteloosheid waarmee ze samen iedere versnelling hadden aangekund.” Zo is het! Had Hup! daarvan niet ietsje meer kunnen zijn?