Oorlogsbrieven

“Dip in anywhere, and delight follows.” Met zo'n zin zou je reclame kunnen maken voor een heel groot warm bad of een kuip met chocolade- en vanille-ijs, slagroom en rozijnen. Het zijn de woorden van John Updike waarmee hij de Selected Letters 1940-1977 van Vladimir Nabokov heeft aanbevolen.

Dat was precies waaraan ik behoefte had. Het aftellen, eerst van de dagen, dan van de uren tot het uitbreken van de oorlog blijkt een staat van opwinding te veroorzaken die je belet je aandacht langer dan - ik schat ruwweg - een kwartier bij iets dan de aanstaande ramp te houden. Radio en televisie veroorzaken een verslaving waaraan je ieder uur moet toegeven. Zo'n boek met brieven waar je met gegarandeerde verrukking op iedere plaats in kunt dippen, is datgene wat je tussen de uren nuttig bezighoudt en bovendien bleken de 600 pagina's met een interessant fotokaterntje nog geen vijftien dollar te kosten. De zon scheen, de sneeuw smolt, trots en tevreden ging ik met m'n nieuwe bezit op een bankje in Washington Square zitten. Een mooi voorwoord van Dmitri Nabokov, waarin meteen al een citaat dat me aansprak. Ik doe geen moeite het te vertalen. “My characters cringe as I come near them with my whip. I have seen a whole avenue of imagined trees losing their leaves at the threat of my passage.” Updike had niet overdreven: veel verrukking in het verschiet.

Maar de oorlog is sterk. Ik begon te zoeken naar een brief die verband zou houden met een van de oorlogen die hij zelf van ver of dichterbij heeft meegemaakt, een stuk of vijf als je de Koude meetelt. In 1940 arriveert hij in de Verenigde Staten, schrijft dan op 25 augustus uit Wardsboro, Vermont, aan twee vertrouwde vriendinnen: “We hopen intens dat jullie naar dit land zullen komen. Ook wij hebben het gevoel dat we ons interplanetair ver van onze vrienden verwijderd hebben: zo'n goddeloze afstand scheidt ons van onze beste vrienden. Onze gewone dagelijkse leven lijkt, in tegenstelling tot wat jullie daar leiden, de brutale droom van een miljonair.”

Je hoeft niet aan het front te staan om een oorlogsbrief te schrijven. Daar zat ik op mijn bankje, het park was op twee agenten na verlaten; nee, ik kreeg een eekhoorn op bezoek. Wat een onbeschrijfelijke luxe: met Nabokov en een eekhoorn heel Washington Square voor jezelf te hebben terwijl de politie terughoudend op je past, en je eigenlijk je hoofd bij de countdown tot de oorlog zou moeten hebben.

Ik bladerde verder; misschien zou ik een brief vinden die een 'mooi getal' geleden was, 25 jaar, als Amerika al flink in het Vietnamese moeras is gevorderd. Ik kwam er dicht bij: 25 januari 1965, aan de vlinderdeskundige William H. Howe, een brief over vlinders. De illustraties bevallen Nabokov goed, maar, schrijft hij: “Ik zal niet nader ingaan op de tekst; die staat niet op het niveau van de geschilderde prestaties. Uw oprechte geestdrift vindt zelden de juiste woorden en in wetenschappelijk opzicht hebt u zich dikwijls vergist. Ik kan me ook niet goed voorstellen wie u ertoe heeft gebracht al die muffe anekdotes en proeven van derderangspoezie te gebruiken” enzovoorts. Dat zou William Howe blij hebben gemaakt. Over Vietnam heb ik in dat jaar niets gevonden, hoewel in de retoriek waarmee de oorlog daar gepaard ging, ook veel mufs en derderangs wordt aangetroffen. 't Is geen verwijt.

Ik sloeg Nabokov dicht en overwoog even naar het Vietnam Monument op Veteran Square te gaan kijken. Dat bestaat uit passages ontleend aan oorlogsbrieven, het handschrift van de schrijvers in een soort facsimile-relief aangebracht op muren van glas. Niets mufs, geen retoriek.

Intussen zijn we al een dag over het ultimatum heen. Er is nog steeds geen schot gelost. De Franse president denkt dat “tenzij er een wonder gebeurt de kanonnen zullen spreken.” Andere staatslieden “kunnen slechts hopen.” Aan de vooravond van het serieuze treffen wordt de wereld nog een keer met de gemeenplaatsen besproeid die in 1914 ook niet hebben geholpen.

Ik weet niet of hij het zo heeft bedoeld, maar hoe goed valt het te begrijpen dat Nabokov liever bij zijn vlinders bleef.

Deze column werd geschreven voordat de oorlog in de Golf uitbrak.

    • H. J. A. Hofland