'Noord' en 'Zuid' samen in een reddingmaatschappij

Ruim 166 jaar na hun oprichting fuseren de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij (KNZHRM) te Amsterdam en de Koninklijke Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen (KZHMRS) in Rotterdam. De nieuwe organisatie heet Nederlandse Redding Maatschappij, nog zonder het predikaat 'koninklijk', maar dat is opnieuw aangevraagd.

AMSTERDAM, 18 jan. - De 14de oktober 1824 was een regelrechte rampdag. Voor de Nederlande kust vergingen in vliegende storm niet minder dan zeventien schepen, waaronder het fregat De Vreede, dat bij Huisduinen, net onder Den Helder, aan de grond liep. Zeven Huisduiner mannen voeren met een sloep naar het gestrande vaartuig om de opvarenden te redden. Ze wisten er negen van het wrak te plukken en ongedeerd op het strand te zetten. Maar een tweede actie, die ook de kapitein, de schipper en de bootsman in veiligheid moest brengen, mislukte jammerlijk. Op de terugtocht kantelde het bootje en zowel de redders als gereddenen kwamen om in de woeste branding. Op een na: Reindert Willemsz Kruk.

Het tragische voorval was de directe aanleiding tot de oprichting, op 11 november datzelfde jaar, van de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding Maatschappij, een initiatief van enkele invloedrijke Amsterdammers onder leiding van jhr. Hendrik Jacob Ortt. Deze was inspecteur van het loodswezen benoorden de Maas (bij Hoek van Holland) en die omstandigheden had al gelijk een verstrekkende betekenis. Het kustgebied onder die ambtelijke scheidslijn - inclusief de kust van Belgie, dat toen bij Nederland hoorde - viel erbuiten en daarom werd negen dagen later, 20 november 1824, een soortgelijke organisatie opgericht voor het zuidelijke territorium: de Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen.

Aan de wieg van deze club stond een stel notabele Rotterdammers en daarmee kreeg de tweedeling al terstond het karakter van rivaliteit tussen de grote havensteden, Amsterdam en Rotterdam. Pogingen van hogerhand om beide organisaties, in het spraakgebruik de 'Noord' en de 'Zuid', samengevoegd te krijgen, liepen op niets uit. Wel was er sprake van groeiende samenwerking, terwijl de 'demarcatielijn' zich naar Scheveningen verplaatste, maar een werkelijke fusie zou pas na ruim 166 jaar tot stand komen.

Op 18 december vorig jaar hebben beide besturen daartoe een plechtige intentieverklaring afgelegd. Hun motieven liggen in de sfeer van efficiencyverbetering en het versterken van Nederlands positie in het internationale reddingwezen. De samensmelting is pas formeel in kannen en kruiken als de nieuwe statuten notarieel zijn goedgekeurd, maar dat zal niet lang meer duren.

In afwachting daarvan treedt men reeds als een organisatie op, de Nederlandse Redding Maatschappij met in totaal 36 kuststations van waaruit hulp wordt geboden, 48 schepen, 35 mensen in vaste dienst en circa 600 vrijwilligers, voor het merendeel 'opstappers', die in geval van nood als bemanning optreden. Samen bestrijken zij het hele Nederlandse kustgebied van Cadzand tot Delfzijl, inclusief de Waddenzee, het IJsselmeer en de Zeeuwse stromen.

Voorlopig is het kantoor van de 'Noord' in Amsterdam hoofdbureau van de organisatie, die over twee jaar naar IJmuiden verhuist. Door de fusie verliezen de samenstellende delen het bijvoegsel 'koninklijk', maar de Nederlandse Redding Maatschappij hoopt het eervolle predikaat weldra weer aan de naam te kunnen toevoegen. Een verzoek in die richting ligt al lang en breed bij Hare Majesteit.

De twee oude maatschappijen gingen er altijd prat op zonder subsidie uit te varen. Financiele steun van de overheid vond men niet passen bij het vrijwillige karakter van dit werk. En dat blijft zo in de nieuwe constellatie. Bronnen van inkomsten zijn donaties van 'redders aan de wal', erfenissen en legaten, de opbrengst van offerbootjes, die onder andere in kantines van watersportverenigingen staan, en zogenoemde scheepsbijdragen, waaronder boetes die schepelingen krachtens interne rechtspraak opgelegd krijgen.

Schipbreukelingen van koopvaardij en visserij zijn vanouds het doelwit van de reddingmaatschappij; daar is later de watersport bijgekomen. De annalen leren dat de twee organisaties samen in de loop van hun 166-jarig bestaan ruim 29.000 mensen van de verdrinkingsdood hebben gered. Vorig jaar was nog een topjaar met 1.355 gevallen.

Toonbeelden van onverschrokkenheid uit de geschiedenis van het reddingwezen zijn de legendarische Dorus Rijkers uit Den Helder, die 487 geredde drenkelingen op zijn naam bracht, en de gebroeders Klaas en Mees Toxopeus uit Oostmahorn, goed voor respectievelijk 315 en 285 aan de dood ontrukte personen. Maar het absolute record berust bij de nu 55-jarige Auke Meines uit Hindeloopen, die als reserve-schipper op de 'Knokkels' tot nu circa 1.600 mannen, vrouwen en kinderen uit het IJsselmeer wist te vissen.

Maar ook mislukkingen markeren dit deel van de Nederlandse historie. Zo verging op 21 januari 1907 de Harwichboot Berlin bij Hoek van Holland met 144 man aan boord. Van hen wist men er slechts vijftien veilig aan land te brengen. Onder de 129 slachtoffers waren alle leden van een Duits operagezelschap, dat in Londen voorstellingen had gegeven, en de Nederlandse automobielbouwer Hendrik Spijker.

Door ongelukken met roei- en later motorreddingboten verloren in de loop van twee eeuwen 77 redders het leven. De vaartuigen, hoe goed ook ontworpen en uitgerust, boden geen garantie voor absolute veiligheid. Dat bleek bijvoorbeeld in de nacht van 23 oktober 1921, toen de 'Brandaris', het trotse vlaggeschip van de KNZHRM, tijdens zware storm met man en muis ten onder ging.

Het redden van schipbreukelingen is, althans in Nederland, nog een typische mannenzaak. Van alle 450 opstappers die de nieuwe organisatie telt, is er maar een (in Breskens) van het andere geslacht. Een zeevarende mogendheid als Groot-Brittannie telt aanzienlijk meer vrouwelijke redders.

    • F. G. de Ruiter