Jawel, mijnheer, ik noem mij katholiek!

De ochtendbladen toonden een foto van Otto Sterman, als van Danaos in Aischylos' toneelstuk De Smekelingen. Hij keek donkerbruin de parterre in, omgeven door een aantal Egyptische maagden die, zo constateerde een recensent, 'nadrukkelijk op hun etnische afkomst' waren geselecteerd. Waarom eigenlijk? Contemporaine regisseursgekte? De criticus hield er in elk geval 'een nare bijsmaak' aan over en vond de voorstelling voor de rest ook niet veel zaaks. Het spel van 'good old Otto Sterman' was daarentegen 'een verademing'.

Het deed denken aan die andere toneelfoto, uit december 1935, nu ruim een halve eeuw geleden. Zij toont een soort dancing, inclusief orkest en zwoele lady crooner. Links het publiek in uitgaanstenue, rechts een drietal in zwartglimmende pakken gestoken kleurlingen in een agressieve pose.

Simon Carmiggelt recenseerde de voorstelling in opdracht van het dagblad Vooruit. “Een hoogtepunt is het gevecht met de negers, die zich hebben verstout in de nabijheid van de rasbewuste ariers een broodje te eten, en zich daardoor de woede van de aanwezige 'gentlemen' op de hals halen.”

Het betrof Par Langerkvists antifascistische drama 'De Beul', de nieuwe produktie van de Amsterdamsche Tooneelvereeniging. Albert van Dalsum speelde de hoofdrol. Ben Groenier speelde 'een ruwe jongeman'. Sara Heyblom was 'de veroordeelde vrouw'. Paul Huf speelde 'de rechter'. Ben Royaards was 'een bewuste jongeman'. Philippe la Chapelle speelde 'een professor in de theologie'. En good old Otto Sterman, toen nog bloedjong, trad op als 'aanvoerder van de negers'.

'De Beul' leidde tot een georganiseerde rel van de zijde der NSB. Op 1 december 1935 zetten de keurtroepen van Anton Mussert de hoofdstedelijke Stadsschouwburg op stelten. Het NSB-weekblad Volk en Vaderland ruimde een paar dagen later zijn volle voorpagina in om tegen de vertoonde 'gesubsidieerde liederlijkheid' te protesteren. Want het toneelstuk bevatte “1. Talrijke godslasteringen. 2. Beschimping van het leger dat gepersonifieerd wordt door een dronken soldaat. 3. Onbeschrijfelijk gemeene beleedigingen van het Duitsche volk. 4. Beleediging van een groote volksgroep van het Nederlandsche volk, n.l. zij die de nationaal-socialistische gedachte zijn toegedaan. 5. Verheerlijking van het wereld-cultuur-bolsjewisme.” Was getekend Mussert, een stoere signatuur, zonder titel en initialen, zoals de ware leider betaamt.

Het stuk werd, onder druk van de NSB-activisten en door de bangelijkheid van diverse burgemeesters, al spoedig van het repertoire genomen. Niettemin moeten wij achteraf concluderen dat de interventie van Mussert en de zijnen uiteindelijk de Nederlandse cultuurgeschiedenis positief heeft beinvloed.

Ergens, halverwege zijn artikel, had de NSB-chef gesproken over “den zich katholiek noemenden Van Duinkerken”, een trapje naar de schrijver-journalist Anton van Duinkerken, die als lid van de Commissie van Bijstand voor Kunstzaken voor subsidiering van De Beul had gestemd. Van Duinkerken nam de nacht na verschijning van Musserts artikel achter zijn schrijftafel plaats en vervaardigde een der meeslependste gedichten uit Neerlands liederenschat, zijn 'Ballade van den katholiek', een poetische hartekreet die men tot op heden niet zonder bewogenheid kan lezen.

Hij schreef:

“Jawel, mijnheer ik noem mij katholiek.

En twintig eeuwen kunnen 't woord verklaren.

Aan u en aan uw opgewonden kliek,

die blij mag zijn met twintig volle jaren.''

Zij, de NSB'ers, hadden Mussert. Van Duinkerken en zijn geloofsgenoten hadden godlof Maria:

“Een Joodsche vrouw, die gij diep zoudt verachten

- Joden zijn aan uw soort niet sympathiek -

Maar die het licht is onzer zwartste nachten,

Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek!''

Van Duinkerken liet het gedicht 's anderendaags lezen aan Alfons Laudy, hoofdredacteur van De Tijd, het dagblad waarvoor de schrijver de letteren beheerde. De krant had het drama 'De Beul' in een eerder stadium “een godslasterend stuk” respectievelijk “een doorloopende hoon van het Duitsche staatsbestuur” genoemd. Nu sprak de hoofdredacteur ferm: “Collega, vandaag op de eerste pagina!” De dichterlijke explosie dreunde de volgende dag na in vrijwel alle kranten, die Van Duinkerkens gedicht op hun beurt in extenso publiceerden. Ook het sociaal-democratische Het Volk. Redacteur A. B. Kleerekoper kocht vijftig rode rozen en plaatste het boeket aan de voet van het Mariabeeld in de kerk De Papagaai, in de hoofdstedelijke Kalverstraat.

Het was een daad van joodse noblesse, zoals het gedicht van Van Duinkerken een daad van katholieke noblesse is geweest.

Van Duinkerken was tussen de bedrijven door bevriend geraakt met de joodse, katholiek geworden, Oostenrijkse, naar Nederland uitgeweken schrijver Joseph Roth. Avonden respectievelijk nachten lang zaten zij te zuipen, in cafe Americain hetzij in cafe Reijnders. Het was dezelfde Joseph Roth die De Ballade van den katholiek eigenhandig voor het blad Der Christliche Standestaat zou vertalen.

Dat ging als volgt:

“Jawohl, mein Herr, ich nenn' mich Katholik!

Mein Heil, es lebt schon seit zweitausend Jahren!

Blind vor dem Heil ist Eurer stumper Blick:

Ihr horet nur den 'Heil'-Ruf der Barbaren.''

De vier versregels over Maria transformeerde de vertaler om hem moverende redenen in vier versregels over Haar gebenedijde Zoon:''... Dieser Klang in Euren Ohren,

er tut Euch weh, wie Juden Eurem Blick.

Uns ist er licht; und Euch scheint er verloren.

Mir nicht, mein Herr, ich bin ein Katholik!''

Zij zijn inmiddels natuurlijk allemaal dood, de schrijver van het gedicht en de vertaler van het gedicht, de schrijver van het toneelstuk, de regisseur, de decorontwerper, de dames van het kapwerk, de 'ruwe jongeman' en de 'veroordeelde vrouw', de 'bewuste jongeman' en de 'professor in de theologie'. Er staan ruim zeventig namen op die vergeelde affiche van 'De Beul'. Merkwaardige gedachte dat good old Otto Sterman, 'aanvoerder van de negers', waarschijnlijk als enige hunner nog in leven is.

    • Martin van Amerongen