Ik verzin steden mooier dan ooit gezien; Gesprek met Alfred Eikelenboom

“Ik heb haast, ik heb toch al twintig jaar te laat ontdekt wat ik wilde doen”, zegt de Haagse kunstenaar Alfred Eikelenboom. Eikelenboom wil kunst en architectuur maken met universele geldigheid. Tot nu toe zijn de middelen die hij daarvoor gebruikt eenvoudig: bollen, cirkels, kegels, rechthoeken en vierkanten, verenigd in matgrijs geschilderde 'utopische modellen'. Ze zijn te zien op Eikelenbooms expositie in museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam. Maar hij wil ook een zwembad maken, en een stoel.

Utopian models. Museum Boymans-van Beuningen, Mathenesserlaan 18-20, Rotterdam. 20 jan. t-m 17 mrt. Di. t-m za. 10-17u., zo. 11-17u.

Vijf minuten na het begin van het gesprek met de Haagse kunstenaar Alfred Eikelenboom dient er al een misverstand te worden opgehelderd: achter zijn beelden moet ik vooral geen dreiging of somberte zoeken. “Integendeel, ze zijn een ode aan de schoonheid van pure vorm. Ik noem ze dan ook utopian models.”

Als Eikelenboom (54) over zijn werk vertelt is het net alsof hij iets boven de alledaagse werkelijkheid vertoeft. Door zijn opleiding tot schilder en door de verbintenissen die hij in de afgelopen twintig jaar als beeldhouwer met de architectuur heeft gelegd, beschikt hij over een breed spectrum aan referenties, van de klassieke oudheid tot en met de hedendaagse beeldende en bouwkunst, waar hij soms onnavolgbare verwijzingen uit plukt.

Eikelenboom heeft diep nagedacht over zijn beelden. In zijn eclectische, bloedserieuze betoog rollen die gedachten soms als gezwollen volzinnen van zijn tong en hebben dan een onbedoeld komische uitwerking. Als ik het uitschater kijkt hij me vragend aan. Zijn donkere ogen fixeren zijn gesprekspartner, af en toe voel ik me als een konijn in een lichtstraal gevangen.

De vormen die Eikelenboom in zijn beelden gebruikt, zijn op zichzelf eenvoudig: omwentelingslichamen als de bol, de cirkel en de kegel en cubistische structuren, bij voorbeeld de rechthoek en het vierkant. De constellaties die hij ermee maakt, roepen bij mij associaties op met koeltorens en geabstraheerde fabrieksgebouwen: een kunstzinnige weergave van industriele archeologie. Mis. “Die associaties duiden hoogstens op de hypnotiserende werking van monumentale vormen. Het gaat mij om de manier waarop die vormen elkaar penetreren, om de panorama's die dan ontstaan.”

Eikelenboom maakt zich sterk, om niet te zeggen voert campagne, voor de herwaardering van vorm in de hedendaagse beeldende kunst. Hij voelt zich verwant aan Jakov Tsjernichov, de Russische constructivist uit de jaren twintig, wegens diens methodische vormonderzoek. “Vormonderzoek! De term alleen al klinkt in de moderne kunst volstrekt gedateerd en oubollig. Men zoekt nu naar concepten. Door de overwaardering van intellectuele constructies wordt vakmanschap, het maken van een mooie vorm, niet meer als kwaliteit erkend.”

Een van de nieuwe utopische modellen die hij heeft gemaakt voor zijn tentoonstelling in museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam bestaat uit letters die in de typografie van de jaren dertig de woorden NUOVO FORMALISMO spellen. Begeeft hij zich daarmee in een wat glibberige nostalgie? Mis. “Absoluut niet. Ik pleit voor herwaardering van de zinnelijke eigenschappen van vorm en materie. Van de plasticiteit van die typografie, van het ambacht. Ai! Dat klinkt als Prins Charles, als de negentiende eeuw, als Volendam. Maar ik draag juist de progressie in mijn vaandel. Het feit dat ik als pleitbezorger van de vorm een tentoonstelling heb in museum Boymans-van Beuningen, zou kunnen duiden op een kentering in het denken hierover.”

HYPERBOOL

Het Kroller-Muller, het Haags Gemeentemuseum en het museum van Schiedam bezitten al werk van Eikelenboom. Vier jaar geleden kreeg hij, na deelname aan een openbare inschrijving, de opdracht voor een kunstwerk op het IJ-plein in Amsterdam-Noord. Het werd een vijf meter hoge rode metalen muur waar de omwonenden heftig tegen protesteerden. Bij de nieuwe penitentiaire inrichting De Schie van Carel Weeber in Rotterdam staat sinds kort ook een beeld van hem, een muur gevangen in twee bollen. Hij werkt nu aan een opdracht voor het binnenterrein van het Legermuseum in Delft, een kunstwerk bestaande uit zeven objecten en een hyperbolische boog. “De hyperbool is als vorm al 1500 jaar voor Christus ontwikkeld. Daarmee is het vraagstuk van de originaliteit meteen uit de weg geruimd.”

Het verschil tussen zijn kunstwerken voor openbare ruimten en zijn utopische modellen is de schaal: de modellen worden op tafels of sokkels geexposeerd. Zijn de utopian models maquettes?''Een maquette is een mini-weergave van de werkelijkheid, met een gedefinieerde schaal en een totale verwerkelijkingsintentie. Dat is het spel dat ik met mijn utopische modellen speel: technisch en economisch gezien zouden ze van de ene dag op de andere werkelijkheid kunnen worden. Het utopische zit in de hoop dat de apotheose van onze cultuur nog voor ons ligt.''

Voor de prijsvraag die deze krant voor het Amsterdamse Museumplein organiseerde, maakte Eikelenboom een opvallend ontwerp, een koepel naast een langgerekte druppel. Was dit een serieus voorstel voor de bebouwing van het Museumplein?''Ik wilde bewijzen dat je een utopian model kunt 'inpluggen' in een bestaande situatie.''

De titels van sommige modellen verwijzen naar een maatschappelijke utopie, bij voorbeeld Voorstel voor een Vergaderzaal voor het Plenum van een Wereldregering. “Toch is mijn kunst in geen enkel opzicht geengageerd. Mijn maatschappelijk ideaal is een esthetisch ideaal. Ik verzin steden mooier dan ooit gezien.”

BOUT EN MOER

De utopische modellen zijn matgrijs. “Dat moet. Met die kleur worden volume en perspectief optimaal zichtbaar. In grijs wordt het verloop van kernschaduw en slagschaduw het duidelijkst.” De uitvoering, in gespoten MDF-plaat, besteedt hij uit. “Zelf maken zou zinloos zijn. Er zijn specialisten die het veel beter kunnen, zoals de virtuoze houtbewerker Wouter van Dommelen met wie ik al jaren samenwerk. Maar belangrijker nog: ik heb haast, ik heb toch al twintig jaar te laat ontdekt dat ik dit wilde doen.” Dat was in 1968. Toen maakte hij kennis met de sculpturen van Donald Judd, het werk van de Japanse Metabolisten en met Nieuw Babylon, Constants model voor een anarchistische samenleving.

Als zeventienjarige ging Eikelenboom naar de Haagse kunstacademie. Hij wilde decorschilder worden, maar op advies van de directeur ging hij voor een paar jaar naar de vrije afdeling. Daar schrok hij van de indianenverhalen over het ellendige bestaan van de kunstenaar en hij stapte over naar MO-tekenen. Later schreef hij zich in als student bouwkunde in Delft, niet om architect te worden, maar om lezingen te volgen en toegang te krijgen tot de bibliotheek.

“Op die MO-opleiding heb ik echt leren tekenen. Ik kon al met veel gevoel de tonaliteit van een stilleven opbouwen, maar ik kon niet in vijf minuten op het bord een fiets tekenen, of een bout en moer, of een kraan met ellipsen die correct in de as liggen. De masochistische kadaverdiscipline heeft wel iets opgeleverd: wat ik in de ruimte denk, kan ik met de hand weergeven. Soms denk ik dat ik weer lessen moet nemen in stereometrie om mijn eigen werk te begrijpen.”

HEIMWEE

Toch is hij sinds kort weer gaan schilderen, gekleurde ellipsen op een egale achtergrond. Vorig jaar exposeerde hij ze bij galerie Luce van Rooy in Amsterdam onder de titel Awakening from the Gray. “Het zijn studies van vergrijsde kleuren en onze perceptie daarvan, maar net als mijn beelden gaan ze over verdichting en ruimtelijkheid.”

Het schilderen is ingegeven door heimwee, zegt hij. “Heimwee naar de vrijheid van handelen van de meesters uit de Renaissance, die zich soepel heen en weer bewogen tussen verschillende disciplines. Toen waren er kunstenaars die net zo virtuoos schilderden als bouwden. Nu hanteert de maatschappij een starre rolverdeling. De beeldhouwer Tony Cragg schildert niet, de architect Peter Eisenman beeldhouwt niet. In mijn werk breng ik die disciplines weer bij elkaar. Een man als Philip Starck bewonder ik ook daarom. Ik wil ook een zwembad maken, een stoel.”

Door de precisie van Eikelenbooms beelden lijken ze met een computer gemaakt. Mis. “Alles uit de computer imponeert door zijn exactheid, maar het nadeel is dat alle beelden op elkaar gaan lijken. De computer kan nuttig zijn bij het uitrekenen en onthouden van ingewikkelde constructies, maar ik zie er geen nieuwe werelden in.

“Waar ik naar toe terug wil is de wetmatigheid in de kunst, naar regelgeving in de zin van het Corinthische kapiteel. Dat is een element dat al twee milennia in de architectuur steeds terugkeert, van de villa's van Palladio tot en met de negentiende-eeuwse bouwwerken in Londen. Een virtuoos beeldhouwer is op het idee gekomen acanthusbladeren om een stam te binden. Een poetische uitvinding, puur uit decoratieve motieven: kijk eens wat mooi. Het kapiteel is de interpunctie van de architectonische taal.”

“Mijn werk heeft een esthetisch doel, maar ook een didactisch en een experimenteel. Ik wil iets ontwikkelen wat gemeengoed kan worden - een rode draad door de architectuurgeschiedenis, net als het Corinthisch kapiteel. Zo'n kapiteel heeft alle denkbare maatschappelijke structuren overleefd. Ik streef naar een genuanceerd idioom met universele geldigheid, daar heb ik mijn werk van gemaakt. En al zou dat idee van de utopie onzin zijn, dan nog zijn die beelden op zichzelf mooi.”