Full Metal Jacket (1987) en Paths of Glory (1957) van Stanley Kubrick

Stanley Kubrick is misschien wel de meest Napoleontische onder de naoorlogse filmregisseurs; hij is een groot organisator, zijn films zitten logistiek en tactisch goed in elkaar en bovendien zijn ze gevoelsarm. Willem Jan Otten over Paths of Glory en Full Metal Jacket, verhalen over soldaten die liever het allergruwelijkste ervaren dan dat ze zich vervelen.

Toen de oorlog uitbrak was de wereld, zelfs op CNN, weer een hoorspel. We luisterden naar Bagdad, en hoe dramatisch het allemaal ook was, die eerste nacht, het was ook net een computerspelletje. De werkelijkheid was elders. Wie zich blijft afvragen wat oorlog nu eigenlijk is, die doet er goed aan Full Metal Jacket (1987) van Stanley Kubrick te bezoeken, die hier en daar in filmhuizen draait. Hij speelt zich weliswaar af in Vietnam (en in een kazerne), maar lijkt in niets op de gewone oorlogsfilm, waarin de personages worden opgevoerd als mensen die ondanks alle geweld toch menselijk weten te blijven.

Full Metal Jacket probeert ons iets anders duidelijk te maken, iets dat niet zozeer humanistisch is als wel erotisch; oorlog wordt gevoerd door mensen die willen dat er eindelijk iets gebeurt. Behalve dat ze, wie weet, vaderlandslievend zijn en bij voorbeeld opkomen voor de democratie, willen ze ook iets hartstochtelijks en fysieks: ze willen kennen. Soldaten lijden aan de ultieme Saterday Night Fever.

Aan iedere oorlog gaat een langdurige periode van theorie en oefening vooraf; uiteindelijk fungeert een Kubrickoorlog als de inwijding in iets wat recruten alleen van horen zeggen kennen. Ze zijn op een min of meer argeloos en onbewaakt ogenblik de buitenste dampkring van de planeet oorlog ingegleden (door zich in vredestijd ergens in te schrijven) en vervolgens ongemerkt in de positie geraakt van mensen die ergens op wachten.

Iedereen die jong is ziet zichzelf als iemand die ergens op wacht, en een periode van militaire dienst, gebaseerd op een regime van verveling en herhaling, is niets anders dan de organisatie van die afwachting. Ondertussen is datgene waarop gewacht wordt onuitsprekelijk reeel, ofschoon iedere soldaat weet dat het hem totaal zal veranderen - in die zin is het, net als een ontmaagding, mythisch.

Het fascinerende van Full Metal Jacket is de zenuwslopende ontleding van deze nieuwsgierigheid. Uiteindelijk laat de film maar een conclusie over: de personages ervaren liever het ergste dan dat zij niets ervaren. Hun diepste drijfveer is het verlangen te ontsnappen aan hun verveling, aan de absurditeit van hun opleiding. Hier is het principe van de Kaars werkzaam: zolang die flakkert zoeken mensen hem op en verbranden er in. De film is de verbeelding van een sensatie die je voor 17 januari starend naar CNN ook kon hebben: dat er oorlog moest komen, omdat we anders blijvend onbevredigd en bedrukt zouden zijn, en altijd onder ons kunnen. Het was het ongeduld van oudejaarsavond, en dan wereldwijd. Omdat dit zo was, en als een ongrijpbare stemming in de lucht hing, waren sommige mensen die het ontstaan van een oorlog al eens aan den lijve hebben ervaren ook zo somber die laatste weken, op het paniekerige af, althans in mijn omgeving. Ze begrepen dat deze kracht, de fascinatiekant, precies datgene is wat de geschiedenis geheugenloos maakt.

GESLAAGDE VERNIETIGING

Kunstenaars als Kubrick zijn in de positie om van dit soort onder de gordelse krachten iets te maken dat ons wel in contact brengt met de ervaring, maar toch geen oorlog is en niet verheerlijkend. En het paradoxale van de ware oorlogsfilm (die dus geen mooi heldenweer speelt met zijn personages) is dat hij alleen dan overtuigend kan zijn wanneer hij de oorlog zo oproept dat er een fysieke zuigkracht van uitgaat. De maker van zo'n film moet zelf een generaal zijn, iemand die de schoonheid van de geslaagde vernietiging kent en wil nabootsen. Het rijtende van een handgranaat, of het ritmische van een marcherend bataljon, of het precieze van een bajonetstoot, het moet hem opwinden. Zoals ook de rituele, om zo te zeggen liturgische kant van een leger, de reductie van het leven tot formules en gestes, hem esthetisch moet bevredigen.

Van Kubrick is bekend dat hij, na zijn fameuze en hilarische anti-oorlogsfilm Dr. Strangelove (1960) een Napoleon-film heeft willen maken en met Napoleon is hij zelf misschien te vergelijken. Hij is de grootste organisator onder de naoorlogse regisseurs; logistiek en tactisch gesproken zitten al zijn grote films altijd even verbluffend in elkaar. Tegelijkertijd is hij op een al even Napoleontische wijze gevoelsarm. Van liefde en haar scenes heeft hij weinig kaas gegeten, getuige zijn schrale Lolita. Toch is het precies die schrale, bijna puriteinse geaardheid die maakt dat hij nimmer zwelgt in het geweld dat hij op het doek ontketent. Hierin verschilt hij van Francis Coppola die in Apocalypse Now een kritische grens overschrijdt, en zich verlustigt in zijn destructie, ongeveer zoals Wagner zich verlustigde aan zijn violen. Coppola lijkt uiteindelijk in vernietiging te berusten, als in een aardbeving. Kubrick blijft tot het bittere eind het onafwendbare vertonen, en honen.

Een film van Kubrick blijft je bij door zijn monumentaliteit. Er is in zijn cruciale scenes veel ruimte tussen zijn personages, en veel ruimte om ze heen. Ze beschrijven majestueuze diagonalen en hun voetstappen galmen. Er is zoveel ruimte dat er complete groepen mensen in gelid door de scene heen kunnen marcheren. Toen hij nog in zwart wit werkte scheen het licht in kathedralische schuine banen naar binnen, en bescheen spiegelgladde vloeren. Kubrick heeft een voorkeur voor eindeloze, weerkaatsende vloeren. Zoals hij bij buitenscenes, zodra het op actie aankomt, veel werk maakt van het terrein.

Zijn geliefde standpunt bij actie is laag, op middelhoogte, en de camera staat dan haaks op de voorste linie van de groep voorwaarts bewegende mannen. Je zou dit het sergeant-perspectief kunnen noemen: twee, drie passen voor de manschappen uit.

Menuetten

Het is heel geheimzinnig, deze monumentaliteit van Kubrick. De eerste film waarin hij hem betrachtte was Paths of Glory, uit 1957. De plaats van handeling is, behalve een onnavolgbaar modderig slagveld en een adembenemend lange loopgraaf, een achttiende-eeuws chateau, waar de militaire staven vergaderen, en waar geexerceerd wordt. Het achttiende-eeuwse van het gebouw inspireerde Kubrick tot verbluffende, symmetrische mise-en-scenes, die je, op een rare manier, doen denken aan statige menuetten. Deze gestrengheid heeft een vreemd effect op het verhaal van de film. Het gaat over een bataljon dat bevel heeft gekregen om een hopeloze aanval te doen op een heuvel die de Mierenhoop wordt genoemd. Al voor de aanval is berekend dat meer dan de helft van de mannen zal sneuvelen. Het worden er veel meer, terwijl de overigen de kans niet eens krijgen om hun loopgraven te verlaten. Toch worden ze verdacht van 'lafheid in het aangezicht van de vijand', en per lot wordt een aantal van hen aangewezen om berecht te worden, en vervolgens geexecuteerd.

Je zou kunnen zeggen dat de film bestaat uit een reeks terdoodveroordelingen. Wanneer de soldaten horen dat ze moeten gaan aanvallen weten ze hoe klein hun overlevingskans is. Degenen die het overleven weten vervolgens dat ze de kans lopen voor de tuchtraad gesleept te worden. Het doel en de middelen zijn hopeloos verwisseld, in feite luidde het allereerste bevel van de film: sterf!

Dat dit verhaal van de volmaakte zinloosheid met behulp van zulke strenge choreografieen wordt verteld, in zulke illustere ruimtes, in zulk klaar en kristallen licht, dat is weinig minder dan onthutsend. Het is alsof je Bach een bombardement laat componeren, of Saenredam een massacre schilderen. Hetzelfde vernuft dat een leger zo effectief kan maken, en een overwinning eclatant, maakt de oorlogfilms van Kubrick zo aangrijpend. Vlak voor de finale executie wordt een van de terdoodveroordeelden in elkaar geslagen. Toch wordt hij, onder statig tromgeroffel, naar het vuurpeloton gedragen. Het traject is eindeloos, de manschappen vormen, in hun opstelling, een soort tuin van Versailles, alles is symmetrisch, alles is discipline. Het vuurpeloton is plechtig, als een rij kerkvaders. De bewusteloze man wordt rechtop gezet, en vlak voor de executie nog even bijgebracht, opdat hij sterft als een soldaat.

Aldus geschiedt. Dit is de helderste executie uit de filmgeschiedenis, een summum van organisatietalent. Precies datgene wat een film van Kubrick zo verontrustend maakt, en op een paradoxale manier elegisch, maakt een oorlog zo vernietigend. Het is de illusie van de totale orde.

    • Willem Jan Otten