Een ode aan de Ypsilon; Het verlangen naar erotische fotografie

Wanneer seks tot erotiek wordt verheven is er meestal een taboe in het geding, meent Rudy Kousbroek. Hij bezocht in Rotterdam vijf tentoonstellingen over het erotische verlangen in de fotografie en zag wat doorgaans alleen minnaars en gynaecologen te zien krijgen. “Het is duidelijk dat geweld veel mensen fascineert, en vooral dat het een sleutel is die op een griezelige manier past op de bereidheid van vrouwen om offers te brengen.”

De tentoonstelling 'Erotic desire' is tot en met 17 februari te zien in de Rotterdamse galeries Perspectief, Fotomania, Snoei, Zeger Reijers Mutiples en Brutto Gusto. Wo. t-m zo. 12-17u.

Te zien op de tentoonstelling 'Het erotisch verlangen' in Rotterdam is een dubbel gotisch raam (omschreven als: 'Ontwerp voor glasraam, Patrick van Caeckenbergh, Zeno X Gallery, Antwerpen'), met de suggestie van glas-in-beton, een mozaiek zou je het ook kunnen noemen, dat bij nadere inspectie volledig blijkt te zijn opgebouwd uit kleurenfoto's van fragmenten der vrouwelijke anatomie - en dan vrijwel uitsluitend de fragmenten waarvan de aanblik meestal aan minnaars en gynaecologen is voorbehouden.

Van dat bepaalde fragment bevat dat raam, naar een ruwe schatting, zowat zestig stuks. In tegenstelling tot wat iemand misschien zou kunnen denken leidt dat niet tot monotonie, het vormt een merkwaardige warreling, alsof er op dat raam een zwerm exotische vlinders was neergestreken, sommige met de vleugels uitgespreid, andere opgevouwen tot een streep; ze worden weergegeven in voor- en achter-, boven- en onderaanzicht (maar vreemd genoeg bijna niet van opzij). Je ziet er steeds meer: grote donkere, zwart als anthraciet; kleine smalle, met een zuchtje blond, ijl als een vleug zeeschuim; soms hebben ze iets van een poederdonsje, dan weer van een stalen pannespons, soms golvend, soms kroezend; er is het kadetje, het breiwerkje, de tweedimensionale palmboom; de vleermuis; er is de Delta, de V, de Ypsilon (of eigenlijk meer een Psi); een enkele lijkt op een scheerkwast, een andere op een washandje, sommige gelijken een vrucht of een croquetje, weer andere een klein knaagdier; er zijn er geen twee helemaal hetzelfde: eenheid in verscheidenheid, bhinneka tunggal ika. Maar altijd is de aanblik vertederend, of zo ervaar ik het tenminste, ik zou er uren naar kunnen kijken, mijmerend en dromend, maar op zo'n tentoonstelling laat je dat onwillekeurig na, want het trekt de aandacht.

Maar kun je nu zeggen dat die ramen - in de reproductie gaat helaas bijna al het detail verloren - ook mooi zijn? En als ze dat waren, waar zou dat dan op berusten? Op een artistieke begaafdheid van die Patrick van Caeckenbergh, i.e. op iets dat hij heel goed kan, iets waar hij een meester in is? Maar wat dan: fotografie? Of het maken van composities met die foto's? Of is er alleen maar sprake van een soort weerloosheid bij de toeschouwer tegenover datgene wat op elk van die fragmenten is afgebeeld?

Ik herinner me dat Dick Hillenius eens heeft geschreven dat je van het vrouwelijke geslachtsorgaan van alles kon zeggen, maar niet dat het mooi is: hij noemde het als ik me niet vergis zelfs uitgesproken lelijk of onesthetisch. Zo blijkt wel hoe subjectief alles op dat gebied is, want hoe iemand er zo over kan denken is mij een raadsel. Waarmee ik niet bedoel dat er op dat terrein geen mooi en lelijk bestaat, dat is juist de essentie van het vermogen om mooi te zijn; zo is bij voorbeeld een oor een fraai, zij het zonderling gevormd orgaan; maar er zijn ook lelijke oren, dat komt voor; je zou je dus ook nog kunnen afvragen of die Van Caeckenbergh alleen maar mooie Ypsilons heeft gefotografeerd: zou het selecteren en bijeenbrengen daarvan dan misschien zijn specialisme kunnen zijn? Zou het werkstuk er heel anders uit hebben gezien als hij daarin minder kieskeurig was geweest?

MAPPLETHORPE

Dit is, intussen, natuurlijk een bekende complicatie, met de algemene vorm: is een foto van iets moois (e.g. een mooie vrouw) ook een mooie foto? Daarbij hoort ook de beruchte omkering: nee? dan maken we dus foto's van afstotelijke dingen, dat moet dan per definitie mooie foto's opleveren. Aan dat uitgangspunt beantwoordt, vrees ik, menige foto van Mapplethorpe. Overigens herken je die ook aan iets anders, een soort dwingende professionele kwaliteit; Van Caeckenberghs raam is, zelfs opgevat als niet meer dan een 'ontwerp', een amateurig kartonnen geval dat niet het gevoel geeft dat er met veel gedrevenheid vorm aan is gegeven. Als je je er wat meer in verdiept wordt het er niet florissanter op: zijn de foto's waaruit het is opgebouwd op zichzelf bijzonder? Nee, dat is de gewone industriele koek, fotografie van landbouwmachines. Is de compositie dan zo geslaagd? Nee, die is voordehandliggend en banaal. Blijft over: het onderwerp zelf. Proberend mijn eigen reactie te analyseren viel mij in dat die misschien op een soort 'hoorn des overvloeds' effect berust. Zo zie je soms in een winkel of warenhuis een heleboel van iets, bij voorbeeld horloges, quasi-achteloos op een hoop gegooid, hetgeen dan de hebzucht oproept: als er zoveel van zijn is er ook wel eentje voor mij bij.

Maar het vertederende, dat is duidelijk, is niet aan enige ingreep van Patrick van Caeckenbergh te danken en verder zit het toch op dezelfde manier in elkaar als een dirty joke. Het maakt nieuwsgierig hoe dat dan precies functioneert, erotische kunst: is het in laatste instantie toch altijd een onderonsje voor mannen, heeft het zin de ontkenningen daarvan - ook op deze tentoonstelling - au serieux te nemen? Is erotiek trouwens wel ooit kunst? Is er op dat terrein dan bij voorbeeld iets dat geoefend, geleerd of onderwezen kan worden? Uit het dubbelzinnige hiervan blijkt al de terminologische onduidelijkheid: is erotische kunst kunst die erotische gevoelens beschrijft of zelf opwekt? En is het goede kunst als dat lukt en slechte kunst als 't niet lukt?

Zo zijn zelfs aan een weinig diepgravend 'erotisch kunstwerk' als dit raam alle voetangels en klemmen van het genre te demonstreren; ook het feit dat 't een gotisch raam is heeft betekenis: het is een kerkraam, en die verwijzing verschaft de blijkbaar noodzakelijke associatie met een taboe, een verbodsbepaling. Er is veel onzin over geschreven maar we moeten er ons vrees ik bij neerleggen dat verbodsbepalingen altijd van de partij zijn wanneer de seksualiteit tot erotiek wordt verheven. Ook voor deze tentoonstellingen in Rotterdam (het zijn er namelijk vijf) geldt dat er bij de analyse van een 'erotisch kunstwerk' altijd weer hindernissen, obstakels, onbereikbaarheden of muren van verbod aan het licht komen waarvan het overwinnen of overtreden de kern van het erotische lijken te zijn. Wanneer je zoals hier meerdere pogingen bij elkaar ziet om uit de seksualiteit kunstwerken te smeden onthult de manier waarop die hindernissen of overtredingen in elkaar zitten zich al gauw als de essentie van die pogingen. Het 'kunstige' is gesitueerd op dat gebied, en het resultaat is overtuigender naarmate de manier waarop dit is gedaan minder voordehandliggend, minder naief is.

Vandaar dat je sommige van de tentoongestelde werken nauwelijks registreert, terwijl van sommige andere zoveel kracht uitgaat dat je er onmiddellijk door wordt aangeraakt. Bij voorbeeld de foto's van Nan Goldin; in galerie Snoei hangen er een paar in de kelder, en het 'springt er uit', op een of andere manier zie je meteen dat dat werk is van een ander kaliber dan de andere dingen. Het is ook een belevenis om die foto's in een groter formaat te zien dan bij voorbeeld in The Ballad of Sexual Dependency, op het ogenblik afgeprijsd verkrijgbaar bij boekhandel De Verbeelding in Amsterdam.

Harde knoopogen

Waaraan herken je de wereld van Nan Goldin? Ik denk aan het feit dat er niet geprobeerd is om haar mooier te maken dan zij is, aan een soort hardheid, gezien met machteloosheid. Ik had het over het taboe, het obstakel, de barriere in een erotisch kunstwerk: wat is dat hier? Ik denk dat het is dat de mensen er uitzien of je niet van ze zou kunnen houden, terwijl degene die het ziet (die de foto neemt) dat moet. Ik ervaar het als angstaanjagend: goed, je wilde geen foto's van mooie mensen zien? dan krijg je er andere, als in een nachtmerrie: de weirdo's, de verontrustende rattekoppen, de strakke gezichten met harde knoopogen, je hoort hun verongelijkte manier van praten, niet stil te krijgen, je voelt het geweld dat zij uitstralen.

Geweld oefent op mij geen enkele aantrekkingskracht uit, ik haat het, maar het is duidelijk dat het veel mensen fascineert, en vooral dat het een sleutel is die op een griezelige manier op de bereidheid van vrouwen om offers te brengen past. Zie die mannen met hun gemelijke koppen. 'Bad boys', schrijft Nan Goldin gelaten. Als het waar is dat het overtreden van een taboe een onmisbaar ingredient is in de erotiek, dan is vrees ik niet te ontkennen dat het in negen van de tien gevallen gaat om een taboe op geweld. Er wordt in die wereld gemept, en hard (zie onder andere het beroemde zelfportret van Nan Goldin met een dichtgetimmerd oog). De transformatie van seks in erotiek, dat kan blijkbaar ook worden bewerkstelligd door de ontdekking met een mislukking in zee te zijn gegaan, door zich tevreden te hebben gesteld met derde keus, door de bodem ingeslagen hoop.

Toch weer het zich opofferen, dat daar achter zit. Een ander beproefd middel is het sacrale, zoals in het verhaal van de man die een tekst moest bewerken voor de Readers' Digest. Niet: How I fellated President Nixon, maar How I fellated President Nixon and found God. Zover hoeft het van mij niet te gaan, ik ben al heel tevreden met het raadselachtige, de verhulling. Jarenlang heb ik mijn kostbare ruggemerg uitgestort over een foto van een naakt meisje achter matglas: ik zou alles in de steek hebben gelaten en mijn leven voor haar hebben gegeven. Een verhaal, liefst maar niet per se over seksuele handelingen, waar je op het laatst niet goed meer snapt wat er gebeurt; een beschrijving, idem, die eindigt in wartaal: dat ervaar ik als buitengewoon erotiserend. Merkwaardig in dat verband is de volgende uitspraak: “Zelfs schrijvers wier erotische verbeelding de opzet heeft alle grenzen voorbij te streven gebruiken vaak een taal die begint met de grootst mogelijke helderheid en dan overgaat in een duistere raadselachtigheid, precies op de momenten van de grootste spanning, alsof het eindresultaat alleen maar onuitsprekelijk kon zijn..” Dat is van Italo Calvino ('Considerations on Sex and Laughter', 20th C. Studies, 1969). “Het dikke pantser van symboliek waaronder Eros zich verbergt, “ concludeert Calvino, “is niets anders dan een stelsel van bewuste of onbewuste schilden die zich bevinden tussen de begeerte en haar voorstelling. Vanuit dit gezichtspunt is alle literatuur erotisch, zoals ook alle dromen erotisch zijn.”

ONSCHULD

Aan het andere uiterste bevindt zich de omkering, de pornografie: de onverhulde weergave van de seksualiteit, seks zonder contekst, d.w.z. zonder het pantser waar Calvino over spreekt, zonder die schilden tussen begeerte en voorstelling; de nulgraad van de symboliek.

Dat wil zeggen: dat zou het moeten zijn, maar het is theorie, de zuivere pornografie bestaat niet, zoals ik bij verschillende gelegenheden geprobeerd heb duidelijk te maken. Willem Jan Otten, in een uitvoerige en vererende reactie (Tirade sept-okt '89), heeft dat opgevat als 'een visioen van een schone pornografie' en 'de begeerte als iets dat toch streeft naar onschuld'. Misschien heeft hij gelijk, een ander doorziet je vaak beter dan je zelf doet, maar zo bedoelde ik het bewust zeer zeker niet. Er staat mij voor zover ik weet geen 'idee van de mensen voor ogen waarbinnen zij natuurlijk zouden kunnen zijn' en dat volgt toch ook niet uit de bovenstaande omschrijving.

Beroepen op de natuur, zo heb ik vaak betoogd, zijn vrijwel altijd obscurantistisch, in feite verkapte beroepen op een cultuur, meestal een dogma. Het verlangen, dat ik wel heb uitgesproken, naar een pornografie zonder vulgariteit, is geen roep om natuur, het is (voor zover ik weet) alleen afkeer van de platte concepties van de seksualiteit zoals die leven in de koppen van het schorum dat zulke films maakt. De evocatie van een bucolische pornofilm was geen pleidooi voor een of ander bosneukersideaal (waar ik ook niets van moet hebben), het ging er alleen om dat die film betrekkelijk vrij was van de dingen waar ik me aan erger, d.w.z. hoerigheid, mannelijke arrogantie en geweld. Afkeer daarvan impliceert toch geen beroep op de natuur?

Het is waar dat mijn hoop of verwachting dat de pornografie daarvan al was het maar incidenteel kon worden bevrijd zich niet heeft verwezenlijkt. Dat is vreemd, en ik heb er geen verklaring voor. Het is ook waar dat bijna alle uitingen op dit gebied die onmiskenbaar getuigen van artistieke kracht en talent, neerkomen op het verheerlijken van een of meer van de drie dingen die ik daarnet noemde. Ik betreur dat. Ik beschouw het als een onvervreemdbaar recht zich zo te kunnen uiten en er vrij kennis van te kunnen nemen, en ik ben bereid daarvoor te knokken als het moet, maar ik betreur het.

    • Rudy Kousbroek