Een mug op een paard

Vroeger was ik bevriend met een paard. Als ik in de grote vakantie bij mijn grootmoeder in Friesland logeerde, zag ik Bo iedere dag.

In de zomer stond Bo altijd buiten. Als ze me in de verte zag komen aanlopen, galoppeerde ze naar het hek waar ze op me bleef staan wachten. Ik voerde haar dan een suikerklontje dat ze uit de palm van mijn hand at alsof het een boterhammen-bordje was. Als ze het opgegeten had, aaide ik over haar neusvleugels. Bo had zo'n zachte neus dat het leek alsof ik met mijn hand over een fluwelen lapje streek.

In het begin zei ik geen stom woord tegen Bo. Ik had nog nooit met een paard gepraat en ik wist niet wat je tegen zo'n beest moest zeggen. Maar toen ik merkte dat de boerenjongens uit de streek in het voorbijgaan 'Hoi Bo' tegen haar riepen, begon ik haar ook maar te groeten. Het was een leuk gezicht om haar oortjes te zien bewegen als ze haar naam hoorde. In haar oorschelpen zaten spikkelrandjes waardoor het net leek of ze zomersproeten had.

Bo moest vaak op reis. Of ze het leuk vond weet ik niet. Ze stribbelde altijd tegen als ze haar grijze rugjasje aan moest. Daarna verdween ze in een houten huisje dat op wielen stond en dat door een auto werd voortgetrokken. Op een dag liet mijn grootmoeder mij een krant zien waarin een foto van Bo stond. Op Bo's rug zat een klein mager mannetje die op een mug leek. Hij droeg een pet met een grote klep en laarzen en hij had een zweep in zijn hand.

“Ran-koet-jee-rinket-met-de-kuif”, riep mijn grootmoeder uit. “Die Bo kan draven als de wiedeweerga. Het is om de bliksem geen boerenknol. Bo kan zo hard lopen dat ze alweer de eerste prijs heeft gewonnen. De baas van Bo wordt nog rijk door dat renpaard.” “Waarom heeft de man die op Bo's rug zit een zweep in zijn hand?” vroeg ik. “Als Bo niet hard genoeg loopt, krijgt ze tikken”, antwoordde mijn grootmoeder.

Toen Bo weer terug was in de wei, gaf ik haar wel vier suikerklontjes. De zon scheen op haar mooie bruine vel waardoor de korte haartjes op haar rug wel van glanzend gepoetst, rood koperdraad leken. Bo drukte haar hoofd tegen mijn schouder als een poes die kopjes geeft. “Arme Bo, ik vind het zo erg voor je dat ze je slaan”, zei ik tegen haar. “Later als ik groot ben, kom ik je halen en dan mag je bij mij wonen.”

Toen ik weer eens bij mijn grootmoeder was en ik over de dijk liep, was de wei waar Bo altijd graasde verlaten. “Is Bo weer op reis?” vroeg ik aan mijn grootmoeder. “Bo is te oud geworden om te draven”, antwoordde mijn grootmoeder. “Maar ze hebben haar niet naar de paardenslager gebracht. De baas van Bo zei dat een paard dat zoveel centjes voor hem in het laatje heeft gebracht, recht heeft op een leuke oude dag. Hij laat Bo nu verzorgen door een mevrouw die veel van paarden houdt. Ze heeft een soort bejaardentehuis voor paarden ingericht.”

Nu ik Bo niet meer zag, dacht ik niet meer zo vaak aan haar en na een tijdje was ik haar vergeten. Maar op een nacht droomde ik ineens dat ik over de dijk naar het huis van mijn grootmoeder liep en dat Bo begon te hinniken toen ze me aan zag komen. De volgende dag schreef ik mijn grootmoeder een brief waarin ik haar vroeg of ze wist waar het bejaardentehuis voor paarden was.

Het duurde wel drie weken voor ik antwoord kreeg. Mijn oude grootmoeder was helemaal naar de boerderij van de baas van Bo gelopen om het adres te vragen.

Op een mooie voorjaarsdag meldde ik me met kloppend hart bij het bejaardentehuis voor paarden. Het lag tussen de bomen bij een oud huis. Over het erf liep een mevrouw in een blauwe boerenkiel die me naar een wei bracht waar allemaal paarden liepen. Bo zag ik nergens maar toen ik haar naam riep, kwam er een paard met zomersproeten naar me toe. Het was Bo! Na al die tijd kende ze mijn stem nog. Ik gaf haar een suikerklontje en streelde intussen haar neus, die nog even zacht was als vroeger.

Maar Bo's mooie vacht was verdwenen en leek op een oud pluchen tafelkleed waar de mot in zat. En ze had van die rare lange tanden gekregen. Nadat Bo een tijdje kopjes tegen mijn schouder had gegeven, draaide ze haar rug naar me toe en had ze verder geen oog meer voor me. Ik zag hoe ze op een oude, grijze knol afstapte en zijn rug begon te likken. Daarna liepen ze samen verder het weiland in.

“Dat is Dirk, het bierpaard”, zei de mevrouw in de boerenkiel terwijl ze naar de grijze knol wees. “Dirk heeft bij een brouwerij gewerkt en de kar met biertonnen getrokken voor hij hier kwam. Dirk en Bo trekken zich niets van de andere paarden aan. Ze lopen altijd samen op en ze staan ook naast elkaar in de stal. Die twee zijn gewoon stapelverliefd op elkaar.”

Het kilo suikerklontjes dat ik meegenomen had, gaf ik af bij de mevrouw in de boerenkiel. “Ze zijn eigelijk alleen voor Bo maar Dirk mag er ook van eten”, zei ik bij het afscheid.