De arenden zijn begonnen vliegen te vangen; Manuscript van Nicolaas Beets teruggevonden

Op 23-jarige leeftijd schreef Nicolaas Beets een open brief waarin hij de vloer aanveegt met professor Jacob Geel, zijn leermeester die hem in een essay had uitgescholden voor ijdeltuit. Tot publikatie kwam het nooit, maar onlangs werd Beets' manuscript in Leiden teruggevonden. “Het is goed dat U Hooggeleerde volstrekt geen colleges hoeft te geven.”

Vaak verloopt de vondst van een verloren gewaand handschrift spectaculair. De brief van Lamartine bij voorbeeld die onlangs in Heemstede opdook, werd door een bibliothecaris met een neus voor dergelijke zaken opgevist uit een partijtje boeken van het Waterlooplein. Ook verhalen van vondsten van manuscripten in containers en vuilniszakken, op zolders in schoenendozen, of bij nichten van oude huishoudsters zijn legio. De Engelse dichter Rosetti begroef zelfs een bundel ongepubliceerde gedichten met zijn jong overleden vrouw, die later weer werd opgegraven - de bundel bedoel ik. Maar het manuscript van Beets dat onlangs teruggevonden werd, had een veel prozaischer lot ondergaan: het was zoekgeraakt in het archief waaraan het geschonken was.

Wim van den Berg, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, kreeg de tip van zijn leven toen beheerders van de handschriftenafdeling van de Leidse universiteit in hun eigen kasten het manuscript ontdekten, waarnaar velen al jarenlang op zoek waren. Wanneer het precies aan de Leidse universiteit was overgedragen, is niet meer te achterhalen, maar in ieder geval moet het stuk op een verkeerde plaats opgeborgen zijn, waardoor het lange tijd onvindbaar bleef.

Het manuscript waar het hier om gaat is een schendbrief die Nicolaas Beets op 23-jarige leeftijd aan professor Jacob Geel schreef. Geel had de jonge student in zijn bundel Onderzoek en phantasie belachelijk gemaakt, en Beets voelde zich ten diepste vernederd. Hij wilde zijn brief oorspronkelijk als een open brief in een tijdschrift zetten, maar daarvan is het nooit gekomen. Na de eerste opwelling had hij zijn open brief aan een of twee intimi laten lezen, en daarna weggestopt.

Volgens deze intimi was het een “allergeestigst en allervinnigst artikel” en “het enig antwoord dat de moedwillige aanval van Geel verdient”. Bij de uitgave van de zesde druk van de Camera Obscura in 1864 kon Beets het niet laten op het bestaan ervan te wijzen: hij vertelde hoe hij met verontwaardiging zijn pen had opgenomen en zo scherp mogelijk had aangepunt en een antwoord aan Geel had geschreven en overgeschreven - en het daarna terzijde had gelegd.

Als zeventigjarige grijsaard haalde Beets het stuk - op een zonnige zomermiddag omstreeks 1885 - nog eenmaal uit de kast voor Johan Dyserinck, die later zijn biograaf zou worden. Hij las het manuscript voor, en Dyserinck was overdonderd door “de volle kracht van Beets' humor”, zoals hij in 1903 schreef. Na Beets' dood in dat jaar bleef zijn familie publikatie weigeren, tot spijt van velen die nieuwsgierig waren gemaakt door Dyserinck, en door Beets zelf.

Een pikant detail is, dat Geel jarenlang hoofd is geweest van dezelfde universiteitsbibliotheek te Leiden. Zijn voorkeur ging daar uit naar de handschriftencollectie. Hij moet in zijn inmiddels vergane vuistje hartelijk gelachen hebben om de poets van het lot, waardoor de publikatie van Beets' aanval op hem jarenlang werd vertraagd.

HOORBAAR GEWELD

Opwindender dan de geschiedenis van het manuscript is de inhoud. In het laatste nummer van Maatstaf (december 1990) staat de volledige tekst afgedrukt. Behalve geestig en kwaadaardig door de venijnige ironie, blijkt de brief ook buitengewoon interessant vanwege de literaire botsing van generaties die erin met hoorbaar geweld plaatsvindt.

Aanleiding tot Beets' papieren aanval op Geel waren de voortdurende terechtwijzingen van deze, die culmineerden in de voorrede van de genoemde bundel Onderzoek en phantasie.

Geel mocht Beets niet. De constatering is eenvoudiger dan de verklaring. Wat moet een man van tegen de vijftig met een tamelijk aardige positie aan de Leidse universiteit tekeer gaan tegen een student van 23 jaar die als literator wat succes oogst? Kiest hij zijn vijanden niet op een wat te laag plan? Geel had als bibliothecaris en titulair hoogleraar (wat betekende dat hij zich wel professor mocht noemen maar geen colleges gaf) een vaste plaats in de maatschappij verworven, en hij had een uitstekende naam als recensent en kritisch essayist. Ook als klassiek filoloog werd hij alom gewaardeerd en hij had zijn eigen filologisch tijdschrift, de Bibliotheca critica nova. De lezingen die hij geregeld gaf werden druk bezocht, niet alleen omdat hij er een geestige vorm aan wist te geven, maar ook omdat hij een scherp analysator van ontwikkelingen in de cultuur was. En wat had Beets daar tegenover te stellen? In 1837, het jaar dat het conflict tot uitbarsting kwam, was hij een gevorderd student theologie. Zijn afkomst van een Haarlems apotheker zou hem niet in hoge posities brengen, maar hij was verloofd met een freule Van Foreest, kleindochter van de invloedrijke hoogleraar J. H. van der Palm. Als dichter had hij onder geestverwanten flinke successen geoogst met nogal zwaarmoedige geschiedenissen van ongelukkige helden. In de kritiek was hij niet onverdeeld gunstig beoordeeld: men vond hem te byroniaans, en Geel verwachtte dat Beets zelf eens met medelijden op de 'fantasmagorie' van zijn jeugd zou neerzien. Een wat lichtvoetiger lang gedicht, de Maskerade, had lovender kritieken gekregen. Hij behoorde bij een groep jonge schrijvers die grootse plannen met de Nederlandse letterkunde had. De romantische literatuuropvattingen moesten in Nederland ingang vinden, maar dat zou niet lukken als het peil van de tijdschriften laag bleef. Zowel in Leiden als in Amsterdam gistte het: in Leiden was de Rederijkerskamer voor uiterlijke welsprekendheid actief die probeerde de Romantiek te propageren. In Amsterdam was De Gids opgericht, waarin voor het eerst kritiek op een professioneel niveau beoefend werd. Zoals gewoonlijk wanneer een nieuwe generatie opstaat, zochten de jongeren steun en voelden verwantschap met enkele ouderen. Geels kritische geest werd herkend door de jongeren, en ze probeerden hem dan ook aan te trekken als medewerker voor hun tijdschriften. In De Gids verschenen enkele kritieken van hem.

Voor Geel betekende dit waarschijnlijk meer dan alleen een publikatiemogelijkheid. Hij zag de ontwikkelingen, vooral die in Leiden, met lede ogen aan. Want hij moest niets hebben van de Romantiek met haar voorkeur voor wilde tegenstellingen en klinkende retoriek. Het “geslobber aan de champagnewijn der romantische produkten” achtte hij een gevaar voor de ontwikkeling van talentvolle jongeren. De geschoolde classicus was bang voor overdrijving en voor gevoelsuitstortingen in de kunst, en hield zich liever aan het harmoniemodel van de klassieken. Althans in zijn befaamde essay Gesprek op den Drachenfels, waarin hij een classicus en een romanticus tegenover elkaar plaatst.

Spoken

In zijn brieven gist echter een ander deeg. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat in Geel een vulkaan heerst die slechts mondjesmaat af en toe wat gloeiende lava naar buiten stoot. De jonge Beets weet hem aan de kook te brengen door een artikel in De Gids waarin hij op een badinerende wijze over de moderne natuurwetenschappen schrijft. Het artikel Vooruitgang is het eerste dat Beets onder het pseudoniem Hildebrand publiceerde. Beets ziet wel dat er in de wetenschap vooruitgang is, maar betreurt toch ook het verdwijnen van het geloof aan het bovennatuurlijke. Natuurlijk bestaan er geen spoken, maar het is toch verrukkelijk als kinderen erin mogen geloven. Wie kinderen alleen laat kennismaken met de feitelijk waarneembare wereld, legt mogelijk de wortel voor later scepticisme, voor koudhartigheid en cynisme. Hoe afzichtelijk is water onder de microscoop, en hoe helder en verkwikkend als men geen weet heeft van het gekrioel daarin. Geschiedverhalen zijn toch mooier als de feitelijkheden erin gemythologiseerd worden. Beets' artikel is niet veel meer dan een bladvulling, een losjes geschreven stukje tijdverdrijf, dat in De Gids dan ook geen prominente plaats innam.

Geel daarentegen ziet in dit stuk aanleiding Beets nu eens in het openbaar te pakken te nemen. Het ergerde hem al jaren dat die jonge kwast in Leiden zo over het paard getild werd. Iedereen zong te voor en te na de glorie van Beets. En nu had deze zich ook nog eens op zijn eigen gebied en in zijn eigen genre begeven: in het humoristisch proza waar Geel een patent op had. Bovendien had die blaag geen idee waar hij over sprak en dat romantische gedweep met occulte zaken leidde tot niets. Geel verzamelde in het late najaar van 1837 juist enige essays over de verhouding tussen wetenschap en verbeelding, en hij greep de bagatel van Beets aan om een opening voor zijn bundel te hebben. De ouverture tot een opera, noemde hij zijn voorrede, waarin hij Hildebrand genadeloos verwijt een hybridisch opstel geschreven te hebben zonder genetische kracht, dus zonder vermogen iets nieuws te genereren. Zijn denkbeelden stammen uit het jaar nul, zijn taal is ontleend aan de laatste Franse school en zijn retoriek is hol, wat Geel demonstreert door enige beelden te analyseren. Als Hildebrand de schone slaapster adoreert, vraagt Geel hem of hij het liefst vrijt wanneer zijn geliefde slaapt - en dat zou in ieder geval een hoop gepraat uitsparen. De schrijver van Vooruitgang moet wel een stokoude sukkel zijn die aan het eind van zijn leven alles ijdelheid der ijdelheden noemt. “Ik bedoel de ijdelheid die u buiten u zelf vindt, “ voegt Geel er hatelijk aan toe. Geel doet het voorkomen alsof hij geen idee heeft wie er achter het pseudoniem steekt, maar uit zijn brieven aan Thorbecke blijkt zonneklaar dat hij op de man speelde. De laatste alinea's van zijn voorrede kunnen ook alleen maar begrepen worden als persoonlijk op Beets gericht: ik wil graag met u om blijven gaan, want u heeft talent, maar dan moet u dat niet misbruiken en jonge mensen van de wal in de sloot helpen.

VERWAAND

Geel moet zich heftig opgewonden hebben over Beets' stuk, om de jonge student zo in zijn hemd te zetten. Er zit iets onfris in deze aanval van een leermeester op een leerling. Natuurlijk ging het stuk tegen Geels vooruitgangsgedachte in. In zijn optiek vertoonde de wetenschap, en daarmee de maatschappij en de kunst, een gestage progressie. Een harmonisch samengaan van wetenschap en kunst is mogelijk, terwijl Beets juist een breuk suggereert. Natuurlijk ergerde de professor zich aan het romantisch gezweef in het stuk en aan de fraaie vergelijkingen en blinkende antithesen die regelrecht uit de Franse romantische school kwamen.

Maar er is ook dat persoonlijke element. De toon van Geels stuk, met dat herhaalde verwijt van hybride, doet dat vermoeden. “Houd in het oog, “ schreef Geel aan Thorbecke, “dat de vriend verwaand is, en mij sedert een jaar niet meer bezoekt, omdat hij somtijds een les van mij kreeg.” Geel lijkt gekwetst doordat Beets zijn bemoeienissen afwees. Al in een vroeg stadium van zijn studie had Geel Beets bij hem thuis uitgenodigd, hoewel hij geen colleges gaf en dus geen studenten thuis hoefde te ontvangen. Geel hield er echter van om begaafde jongens extra begeleiding te geven. De vrijgezel woonde in die tijd samen met twee vaderloze studenten die aan zijn zorgen waren toevertrouwd. Het is niet ondenkbaar dat het literaire talent van de jonge Beets hem gevoelig stemde en dat hij zich voornam door speciale begeleiding dit in goede banen te leiden. Beets was er echter de jongen niet naar om zich te laten leiden. Men moet het Geel toegeven: een zekere ijdelheid kan hem niet ontzegd worden.

Toen Beets de voorrede onder ogen kreeg, moet hij razend geworden zijn op de betweterige leermeester. Hij deed het beste wat hij kon doen: een even persoonlijke aanval op schrift stellen, en met dezelfde ironische wapens de aanvaller bestrijden. Zoals Geel Beets in zijn voorrede steeds aangesproken had als suffende bejaarde, zo sprak Beets Geel in zijn brief voortdurend aan als 'Hooggeleerde heer', hiermee enkele gevoelige tenen van Geel rakend. Want Geel was slechts hoogleraar in naam. Hij houdt deze aanspreking het hele stuk vol, steeds eraan refererend dat Geel in alle opzichten wel gelijk moet hebben, want hij is een 'Hooggeleerde heer'. Beets kent de Shakespeariaanse stijlfiguur: But Brutus was an honorable man... Tegen een andere zere plek stootte hij door toespelingen te maken op een wat ongelukkige manoeuvre die Geel onlangs uitgehaald had. Geel had anoniem Sterne vertaald en die vertaling was nergens besproken. Geel maakte toen in een brochure bekend dat hij, Professor Geel, de vertaler was. Beets buit deze kleine zwakheid uit. Ook verbaasde hij er zich over dat een Hooggeleerde heer een klein nederig stukje beantwoordde met een recensie die wel eens zo lang was als het oorspronkelijk. De arenden zijn begonnen vliegen te vangen, schrijft hij. Boosaardig gaat hij door op Geels positie aan de universiteit, naar aanleiding van een opmerking van Geel dat hij 's morgens zo slaperig is: “Ik kan toch niet denken dat U Hooggeleerde volbloedig zou zijn. Het is goed dat U Hooggeleerde volstrekt geen colleges hoeft te geven.” Hij voelt zich gevleid dat de Hooggeleerde hem talent toekent, maar begrijpt niet waarom zijn taal niet goed Hollands zou zijn. Gaat hij soms niet genoeg met zijn knecht om? Beets insinueert hier en in nog enkele andere zinnen dingen die niet duidelijk worden, maar misschien voor tijdgenoten al te begrijpelijk waren. Hij eindigt zijn brief als een schooljongen met de belofte “dat ik nooit weer iets hybridisch schrijven zal”

Nadat Beets de brief geschreven had, stuurde hij hem ter beoordeling aan de hoogleraar Van der Palm en daarna vertrok hij naar het buiten van de familie Van Foreest in Heiloo. Hier schreef hij zijn bekende brief aan Kneppelhout, waarin hij de hele wereld geelzucht verwijt: “O, die Geel! Hoe verveelde mij die Geel! Alles sprak en schreef mij van Geel! De ene beklaagde mij om Geel. De andere zette mij op tegen Geel. Alles werd mij geel voor de ogen.” In Heiloo ontving Beets het advies van Van der Palm om de open brief en portefeuille te houden. Van der Palm beaamde wel dat het ongepaste, ongemanierde en tegelijk dwaze van Geels moedwillige aanval afgestraft moest worden, maar hij zou een andere weg aanraden. Beets was inmiddels gekalmeerd en zag af van publikatie.

HYBRIDISCHE ZAAK

Van den Berg noemt het in eerder genoemde nummer van Maatstaf zelfkennis van Beets om deze brief uiteindelijk niet openbaar te maken. Hij kan zich het enthousiasme van Dyserinck voor het stuk nauwelijks voorstellen en noemt het een pedant en pijnlijk document. Hij meent de mythe van dit 'allergeestigst, allervinnigst artikel' door de verlate publikatie doorgeprikt te hebben. Ik kan dit niet met hem eens zijn. Wie achter elkaar Vooruitgang, de voorrede van Onderzoek en phantasie en Beets' Brief aan een Hooggeleerde leest, zal het eerste stuk zeker wat oubollig vinden, het tweede voornamelijk hybridisch en het derde venijnig en een schoolvoorbeeld van ironie.

Toch is het zeer begrijpelijk dat Beets het achtergehouden heeft. Want een dergelijke persoonlijke aanval van een student op een Hooggeleerde heer zou in de negentiende eeuw kamikaze zijn geweest. Beets toekomst als predikant zou ernstig gevaar hebben geleden. Het getuigt dus vooral van maatschappelijke kennis dat hij de zaak ongewroken laat. Aan zijn schoonvader schreef hij: “Voor het publiek moet het nu maar zijn als in Hamlet: The rest is silence. Dit is het meest pakkende slot dat ik aan deze hibridische zaak weet te geven.” Na honderdvijftig jaar klinkt pas de finale van de opera waarvoor Geel de ouverture schreef. De slotakkoorden zijn in handen van Beets.

    • Marita Mathijsen