Claude Simon over familie, oorlog en de Nouveau roman; Ik noem een tafel liever geen tafel

Claude Simon, winnaar van de Nobelprijs 1985, schrijft zo gedetailleerd dat enkele minuten in zijn romans vele bladzijden in beslag nemen. Zijn werk gaat over oorlog en revolutie, niet verwonderlijk voor iemand die als cavalerist tegen de Duitsers vocht en krijgsgevangene werd gemaakt. Manet van Montfrans sprak met de schrijver, die volgende week een bezoek brengt aan Nederland. “Ik geloof dat een van mijn voornaamste drijfveren het verlangen is om zoveel mogelijk mee te maken.”

Het is laat in de middag als ik het Parijse Place Monge oversteek naar het huis van Claude Simon. De bedrijvigheid van de zondagsmarkt is al enige tijd voorbij, maar de zwarte zeildoeken afdaken zijn nog niet opgeruimd en het net schoongespoten asfalt ligt vol plassen. Een paar platanen met dicht vertakte kronen steken beloftevol af tegen de bleke winterhemel. Een kant van het plein wordt in beslag genomen door een grote kazerne van de Republikeinse Garde, met boven de poort de inscriptie Regiment de Cavalerie en ik zie opeens de verteller voor mij van Les Georgigues, die door het raam voor zijn werktafel op de binnenplaats van een kazerne de paardrijoefeningen van de gardisten gadeslaat: “Tussen de gietijzeren krullen en bladeren van het balkonhek door bespeurt hij nog steeds vaag beneden hem de donkere silhouetten van de ruiters die tegen de achtergrond van licht af en aan rijden. Elkaar met een tussenruimte van ongeveer vijftien meter volgend komen ze uit een overdekte poort in de muur van het kazerneterrein, rijden recht op het raam af, draaien dan naar links en verdwijnen onder een andere overdekte poort. De hoefijzers van de paarden weergalmen op het plaveisel. Het door de muren teruggekaatste geluid wordt anders wanneer ze onder de tweede poort doorrijden. De in zwarte tunieken geklede bovenlichamen wiegen zachtjes op de stap van de paarden.”

“Ik heb Les Georgigues inderdaad hier geschreven maar in een andere kamer, aan de zijkant van het huis, vanwaar ik de ruiters op de binnenplaats kon zien, “ zegt Simon als wij eenmaal hebben plaatsgenomen in zijn werkkamer op de vijfde verdieping. “Dat is trouwens een goed voorbeeld van hoe ik te werk ga. Ik ga niet uit van een van te voren vastgelegd plan of verhaal, maar begin te schrijven en probeer de stortvloed van waarnemingen, beelden, herinneringen en emoties waar ik zoals ieder mens, elk moment opnieuw in ondergedompeld word, vast te leggen. In eerste instantie probeer ik niet om daar een rangorde in aan te brengen. Alles kan dienen als uitgangspunt voor een boek, als stimulus, de ruiters op de binnenplaats, de bomen voor mijn raam, een duif die neerstrijkt op de vensterbank net zogoed als mijn jeugdherinneringen, mijn oorlogservaringen of de archieven van mijn familie. Ik geef me niet alleen over aan die bewustzijnsstroom, maar laat me ook meevoeren door de associaties die bepaalde woorden voor me oproepen. Soms brengt me dat op een dood spoor, en keer ik terug om het langs een andere weg opnieuw te proberen.”

LIJFSBEHOUD

Claude Simon, die in 1945 debuteerde en zich in de jaren vijftig voegde bij de groep van de Nouveau Roman, gaat in Frankrijk door voor een moeilijk schrijver. Hij is er niet op uit om een zogenaamd realistisch verhaal te vertellen, met een begin, een einde, en een in chronologische volgorde gepresenteerde reeks gebeurtenissen. Hij ontleent het materiaal voor zijn roman aan zijn eigen belevenissen, en legt vooral de nadruk op de zintuiglijke gewaarwordingen. Zo laat hij in zijn romans die over oorlog en revolutie handelen - La route des Flandres (1960), Le Palace (1962), Les Georgigues (1981), L'Acacia (1989) - zijn personages extreme situaties beleven die hij zelf gekend heeft en waarin hij uit lijfsbehoud gedwongen was zich op zijn zintuigen en reflexen te verlaten en daardoor alles om zich heen haarscherp registreerde - geluiden, geuren, vormen, kleuren. Als Simon schrijft, vraagt hij zich steeds af 'hoe het ook al weer was'. Dat aftasten van de herinnering klinkt door in al zijn beschrijvingen die, vervat in bladzijden lange zinnen, van detail naar detail kruipen en steeds weer aarzelend en andere hypotheses voorstellend, zo lang mogelijk een definitief beeld uitstellen.

“Beschrijven moet vooraf gaan aan benoemen, “ aldus Simon. “Als ik een tafel onmiddellijk een tafel noem, dan vormt elke lezer zich meteen zijn eigen beeld en is de kous daarmee af. Als ik een tafel beschrijf zonder het woord tafel te gebruiken en spreek over de vorm van de poten, de houtsoort, de krassen in het blad, dan geef ik weer hoe ik die tafel heb waargenomen en creeer ik iets nieuws.”

Een sprekend voorbeeld van de eigenaardige spanning die Simon aldus schept, vindt men in de roman Histoire (1967). Deze begint met de beschrijving van een boom voor het raam van de verteller, maar pas na 25 bladzijden wordt het woord boom ook werkelijk gebruikt. Een aardig detail is daarbij dat in het manuscript van Histoire de soortnaam van die boom - een acacia - vermeld staat, maar doorgekrast is. Pas in de vorig jaar verschenen roman van Simon die eindigt met een beeld van een boom voor het raam van de verteller, dook dat dertig jaar eerder kennelijk te specifiek geachte detail weer op en wel in de titel L'Acacia.

De graag door Simon geciteerde Tolstoj zei al dat een normaal mens in een enkel ogenblik een ontelbaar aantal gewaarwordingen, gevoelens en herinneringen heeft. Simon probeert hieraan recht te doen door de talloze waarnemingen van enkele minuten bladzijden lang nauwgezet weer te geven. Hij maakt daarbij dankbaar gebruik van de mogelijkheden van het tegenwoordig deelwoord dat gelijktijdigheid uitdrukt en de handeling als het ware bevriest in een momentopname. Een bijna klassiek voorbeeld van een dergelijke blow-up is te vinden in Le Palace, waar de beschrijving van een aanslag die zich binnen enkele minuten heeft voltrokken, uitgesponnen wordt tot een relaas van zeventien bladzijden waarin de verteller al zijn waarnemingen, reflexen en instinctmatig genomen beslissingen tot in de kleinste details uitspelt.

Simon: “Ik heb deze manier van schrijven niet, zoals vaak naar aanleiding van de Nouveau Roman wordt opgemerkt, ontwikkeld uit een bewust verzet tegen de traditionele vertelvormen. Ik heb wel een aantal pogingen gedaan om fictie te schrijven en me daarbij te conformeren aan de eisen van die traditionele vertelvormen, maar ik merkte dat dat me niet goed afging. Na de publikatie van Le Vent in 1957, een soort remake van de Idioot van Dostojevski, had ik er genoeg van en besloot ik om me voortaan te beperken tot mijn eigen ervaringen. Tenslotte had ik genoeg meegemaakt om boeken vol te schrijven.”

OVERDREVEN GODSDIENSTIG

Claude Simon werd in 1913 geboren in Tananarive op Madagascar waar zijn vader, een beroepsofficier, door de Franse overheid was gestationeerd. Vlak voor de Eerste Wereldoorlog keren zijn ouders naar Frankrijk terug en op 27 augustus 1914 sneuvelt zijn vader in Noord-Frankrijk. Simon wordt grootgebracht door zijn moeder en grootmoeder in een statig herenhuis in Perpignan. “Ik heb niet zo'n vrolijke jeugd gehad. Mijn familie was erg conventioneel en overdreven godsdienstig. Waar ik wel met veel plezier aan terugdenk, zijn de muziekavonden. Er werd veel gemusiceerd, Brahms, Beethoven, Schubert. Zelfs toen mijn moeder al erg ziek was, werd ze bij die gelegenheden nog naar beneden gedragen.”

Voor de 77-jarige Simon lijkt het Perpignan van zijn jeugd erg ver weg en hij praat er afstandelijk over. In Les Georgigues en L'Acacia is het beeld dat hij van die jeugd oproept veel dramatischer. De figuren van de moeder en de grootmoeder koesteren beiden de nagedachtenis van een vroeg overleden echtgenoot en zijn onveranderlijk in rouw gedompeld. Het monumentale, maar verwaarloosde huis met zijn afbladderende stucornamenten en van vocht schimmelend behang wordt afgeschilderd als een kil en somber mausoleum. Het enige dat temidden van de vergane glorie van vergulde ornamenten en kristallen girandoles onverzettelijk de tand des tijds doorstaat, is een massief marmeren borstbeeld. Dit beeld, dat figureert in Les Georgiques, is het beeld van een verre voorvader van Simon. De geheimen van zijn leven zijn ruim anderhalve eeuw in de familiearchieven bewaard gebleven in een verborgen kast van het grote huis. Het is de vondst van de brieven, redevoeringen, militaire rapporten en andere documenten van deze voorvader die, aldus Simon, ten gronslag ligt aan Les Georgiques.

“Kijk daar liggen ze, “ zegt Simon, en wijst mij op zwart gebonden registers die op een stapel naast de bank liggen. Hij pakt er een en haalt er een decreet uit van de Nationale Vergadering van 10 augustus 1792. Het decreet belast twaalf afgevaardigden, de bevelhebbers van de twaalf legerkorpsen, met de taak om de afzetting van de koning in alle uithoeken van het land bekend te maken. Gedateerd op de tiende, maar ondertekend op de ochtend van de elfde, roept het document bijna twee eeuwen later, in een rustige kamer in het vijfde arrondissement, het beeld op van die Nationale Vergadering die na bijna een etmaal van koortsachtig overleg, in aanwezigheid van Louis XVI en Marie-Antoinette en terwijl buiten in de straten van Parijs hevig wordt gevochten, het besluit neemt de koning de uitvoerende macht te ontnemen. Simon wijst me op de namen van die twaalf afgevaardigden. Onder hen bevindt zich Jean-Pierre Lacombe Saint-Michel, de man wiens kolossale borstbeeld in de salon in Perpignan stond, zijn voorvader. Deze L. S. M. zoals hij in Les Georgigues wordt genoemd, sterft in 1811 op zijn landgoed in het departement Tarn na een veelbewogen leven. Onder het Ancien Regime is hij cavalerie-officier, als lid van de Nationale Vergadering stemt hij voor de wet die het mogelijk maakte al diegenen die Frankrijk na 1789 verlaten hadden en verdacht werden van samenzwering tegen de revolutie, ter dood te veroordelen, aldus indirect ook het doodvonnis van zijn eigen gevluchte broer tekenend. Als lid van de Conventie stemt hij voor de executie van Louis XVI, tijdens het Directoire zetelt hij in de Raad van Vijfhonderd, en onder Napoleon doorkruist hij als generaal bij de artillerie in de Grande Armee heel Europa. Deze onverzettelijke man die niet alleen een prominente rol speelt bij alle grote gebeurtenissen van zijn tijd, maar ook met dezelfde energie vanuit alle uithoeken van Europa zijn landgoed in de Tarn met een verbazingwekkende aandacht voor details per brief bestiert, laat een belastende erfenis na. Weliswaar zouden de bezittingen die hij vergaard had, zijn nakomelingen voorgoed vrijwaren van de noodzaak om hun brood te verdienen, maar de schande van het mede door zijn toedoen vergoten bloed zou door hen als een vloek ervaren worden en over hun in ledigheid doorgebrachte dagen een schaduw werpen.

“Ik heb deze documenten van een oom gekregen die ze had gevonden in het huis in Perpignan. Hij dacht dat het me wel zou interesseren, omdat ik ook als cavalerist gevochten heb in de oorlog, “ zegt Simon. Bij het schrijven van Les Georgigues lijkt Simon zich niet alleen figuurlijk, maar ook letterlijk te hebben laten inspireren door de energie van de door hem bewonderde voorvader.

WAPENSMOKKEL

Behalve de Revolutie en het daaropvolgende verval van een aristocratische familie in de negentiende eeuw, beschrijft hij in deze roman ook de Spaanse burgeroorlog en het begin van de Tweede Wereldoorlog.

“Na de dood van mijn moeder werd ik door mijn voogd naar een streng religieuze kostschool in Parijs gestuurd. Mijn eindexamen was een bevrijding, ik kon eindelijk doen en laten wat ik wilde. Uit reactie op dat benauwde katholieke milieu waarin ik opgegroeid was, voelde ik mij sterk aangetrokken tot linkse ideeen, ik raakte betrokken bij wapensmokkel voor de Spaanse Republikeinen en heb na het uitbreken van de burgeroorlog een tijd in Barcelona doorgebracht.” In de passages in Les Georgigues over de Spaanse burgeroorlog heeft Simon echter niet rechtstreeks zijn eigen ervaringen beschreven, maar heeft hij gebruik gemaakt van het verslag dat Orwell in 1938 over zijn ervaringen als vrijwilliger aan het front in Aragon en in Barcelona, publiceerde, Homage to Catalonia. Simon toont zich in de betreffende passages kritisch ten aanzien van het linkse idealisme van Orwell; hij stelt het als buitengewoon naief en onrealistisch voor. “Ik had al na twee weken door dat die hele strijd was gedoemd te mislukken en stuk zou lopen op het conflict tussen communisten, anarchisten en trotskisten. Orwell had er zes maanden voor nodig en zelfs toen de communisten jacht op hem maakten na zijn terugkeer van het front, had hij moeite om zijn idealisme op te geven.” Als ik opmerk dat het me toch onwaarschijnlijk lijkt dat je in twee weken zo'n complexe situatie doorziet, antwoordt Simon dat hij er inderdaad wel iets langer over heeft gedaan en dat het de processen van Moskou zijn geweest die hem voorgoed van zijn sympathie voor het communisme hebben genezen. “Ik was in Moskou in juni 1937, toen maarschalk Toechatsjevski, het eerste slachtoffer van de zuiveringen van het Rode Leger, werd gefusilleerd. Misschien is het wel waar dat ik, zoals u suggereert, het personage van Orwell in Les Georgigues mijn eigen naiviteit van destijds heb toegeschreven.

“Toch heb ik al die gebeurtenissen niet zozeer vanuit een ideologische betrokkenheid beleefd, maar eerder als afstandelijk en nuchter waarnemer geobserveerd. Ik geloof dat een van mijn voornaamste drijfveren het verlangen is om zoveel mogelijk mee te maken en te zien. Die instelling is me trouwens goed van pas gekomen in 1940. Bij de meest afschuwelijke scenes, zei ik tegen mezelf, let maar goed op, want wat je nu meemaakt is zo extreem, dat je het niet zou kunnen verzinnen. Misschien is dat ook wel mijn redding geweest.”

Als Simon die zijn dienstplicht bij de cavalerie heeft vervuld, op 27 augustus 1939, precies 25 jaar na de dood van zijn vader, van Perpignan naar het noorden reist om zich daar bij zijn regiment te voegen, is hij er vast van overtuigd dat ook hij op het slagveld zal sneuvelen. Na de winter van '39- '40 te hebben besteed aan het aanleggen van verdedigingswerken die absoluut nutteloos zouden blijken, wordt zijn regiment in mei 1940 nagenoeg geheel vernietigd tijdens de gevechten bij de Maas waar de verbouwereerde, met sabel en musketon uitgeruste cavaleristen geconfronteerd worden met de Duitse luchtmacht en de tanks van de zevende pantserdivisie onder leiding van Rommel.

De jonge cavalerist uit Perpignan is een van de weinige overlevenden en wordt krijgsgevangen gemaakt: “Dat is wel de meest vernederende ervaring die ik heb gekend. We zaten op de grond, onbeschrijfelijk vies, uitgeput, met een baard van acht dagen, en werden toegesproken door een arrogante, onberispelijk geklede Duitse officier, die ons vertelde dat het gedaan was met het Franse leger en dat we dat te danken hadden aan de Engelsen en de joden. Het was verschrikkelijk.” Simon weet eind 1940 te ontsnappen en de vrije zone te bereiken.

PONGE

Vijftig jaar later vertelt Simon nog buitengewoon levendig over zijn oorlogservaringen die hij behalve in Les Georgigues ook in La Route des Flandres en zijn meest recente roman L'Acacia heeft beschreven. Uit de levendigheid blijkt hoe indringend die ervaringen geweest zijn, en het verklaart waarom hij in al zijn romans zo'n belangrijke plaats toekent aan de onmiddellijke, niet door de rede gecorrigeerde reacties. Met een verwijzing naar een uitspraak van Francis Ponge, zei Simon eens: “Een lexicon bestaat uit twee gedeeltes, het deel waarin de helden een plaats vinden, personages zoals Stalin en alles wat tot de geschiedenis behoort. En dan is er nog dat andere deel, het deel waarin nu juist de zon, het water, de handpalm staan. Dat is het gedeelte van het woordenboek dat mij interesseert.” Simon beschrijft de geschiedenis zoals die door het individu ervaren wordt: als een chaotische verzameling directe indrukken, gevoelens en emoties waarin, zoals Rousseau schreef, “de klimaten, de jaargetijden, de geluiden, de kleuren, de duisternis, het licht, de elementen, de levensmiddelen, het lawaai, de stilte, de beweging, de rust”, een veel belangrijker rol spelen dan de politieke gebeurtenissen.

De vergelijking die Simon in zijn romans maakt tussen zijn eigen ervaringen en die van anderen - de generaal, zijn eigen vader - die voor hem op dezelfde plaatsen, in dezelfde valleien en om dezelfde rivieren gevochten hebben, suggereert dat de loop van de geschiedenis in belangrijke mate wordt bepaald door de geografische omstandigheden. Leidt de beschrijving van die verschillende parallelle lotsbestemmingen niet onvermijdelijk tot de conclusie dat de regie van de geschiedenis niet in handen van de mensen is, maar van de natuur?”Ik heb geen boodschap, “ antwoordt Simon, “ik houd van de natuur en ik schrijf niet omdat ik zo nodig iets moet zeggen, maar omdat ik geloof dat daar mijn talenten liggen.” Het voorbarige fluiten van een merel in de plataan voor het raam besluit ons gesprek.

Claude Simon spreekt dinsdag 22 januari in Maison Descartes, Vijzelgracht 2, Amsterdam, over zijn werk. Aanvang 20u.