Charles Dickens

Met groeiende verontwaardiging heb ik de recensie van Bas Heijne Peter Ackroyd's biografie van Charles Dickens gelezen.

Het is dat dit monumentale boek, zoals Heijne zegt, “een enorme inspanning van de lezer verlangt”, maar misschien is dit boek ook niet zozeer voor een gewone lezer bedoeld, als wel voor een Dickens-fanaat. En voor een Dickens-fanaat, zoals ik, was dit boek, na de voortreffelijke, leesbare Dickens-biografie van Kaplan uit 1988, niets minder dan een groot wonder. Want Ackroyd geeft oneindig veel meer details dan al zijn voorgangers, Ackroyd is voorzichtiger dan al zijn voorgangers en Ackroyd heeft op alle eerdere biografen voor dat hij zelf romanschrijver is en dus weet hoe het is om auteur te zijn.

Het is slaande waanzin om, zoals Heijne beweert, Ackroyd te verwijten dat het boek “pretentieuze sfeerschetsen en een hoop holle frasen” bevat. Waarom citeert Heijne dan niet een 'holle frase' als voorbeeld? Het zal hem niet lukken zo'n holle frase te vinden, tenzij hij in zijn eigen stuk over deze grandioze, onvergetelijke, superieure biografie zoekt. “De grootste Engelse schrijver”, aldus Heijne, “spat uiteen in duizenden fragmenten, die door Ackroyd, stuk voor stuk, pagina na pagina, onder de loep worden gelegd.” Alsof dat een bezwaar is! Ackroyd's boek ontleent juist zijn kracht aan het feit dat het zo zeldzaam gedetailleerd is, dat het niet is geschreven vanuit een vooropgezette visie op Dickens. Andere biografen selecteren, laten dingen weg, proberen het leven te persen in een samenhangende visie. Ackroyd geeft alles, Ackroyd laat de lezer getuige zijn van zijn eigen twijfels en onzekerheden, Ackroyd discussieert over Dickens, Ackroyd geeft geen antwoorden, maar stelt vragen. Ackroyd zegt: “Hier heb je het materiaal, hoe moeten we dat interpreteren?” Anders dan alle andere biografen zegt Ackroyd ook steeds: “Dit weten we niet, dat weten we niet, wat er toen gezegd is kunnen we niet meer achterhalen, die brief is verloren gegaan.” Lezend in Ackroyd ontwaar je de reusachtige leemten in onze kennis van Dickens, terwijl andere biografen net doen alsof zij alles weten. Misschien is Heijne daar wel over gestruikeld. Die wil een simpel, niet te dik boek zoals dat van Tomalin met een kant en klare visie. Zulke boeken zijn er al genoeg over Dickens. Maar zo'n boek als dit van Ackroyd verschijnt maar eens in de honderd jaar!

    • Maarten ’t Hart