Alle jongens zijn nu slank; Honderd jaar Dik Trom

Nog steeds zijn alle zes Dik Tromboeken overal te koop. Maar honderd jaar geleden, toen het eerste deel verscheen, had de auteur, C. Joh. Kieviet, moeite met het vinden van een uitgever. De kwajongensstreken van Dik Trom zouden een verderfelijke invloed hebben op de jeugd. “Nu zijn die avontuurtjes voornamelijk vertederend, maar toen moeten ze het effect hebben gehad van de allereerste bananenschil uit de historie van de humor.”

Mozart moet niet denken dat hij 1991 alleen voor zichzelf heeft. Dit jaar wordt ook het Dik Trom-jaar. Honderd jaar geleden verscheen hij voor het eerst in druk en de baker sprak: “Wel, wel, wat een driedubbeldikke jongen is dat! Zo'n dikzak heb ik nog nooit gezien!” Hij was niet gewoon, hij was - in de woorden van zijn trotse vader - een bijzonder kind. Een eeuw later zijn de zes boeken die C. Joh. Kieviet aan hem wijdde, nog overal te koop. Intussen bestaat de wereld van Dik Trom allang niet meer, zijn leeftijdsgenootjes van tegenwoordig lopen rond in designers-kleren en spelen met de door de televisie aangeprezen merchandising. Ze zullen in dat dorp met die statige burgemeester, de potsierlijk barse veldwachter en de hoge boom op het plein niets meer kunnen herkennen. Of misschien het gevoel dat ook volwassenen soms bevangt, dat vage verlangen naar een pastorale wereld waarin de grenzen duidelijk zijn getrokken en de goedheid uiteindelijk overwint. De onschuld van de voorgoed verloren tijd.

Zouden er trouwens nog onderwijzers bestaan zoals C. Joh. Kieviet? Hij was een schoolmeester zoals later ook Theo Thijssen zou zijn. Een man die zich verzette tegen de negentiende-eeuwse strengheid en het ideaal van de verlichting aanhing: wie zijn kinderen het beste gaf, zou vanzelf fatsoenlijke mensen kweken. Hij was dus in de eerste plaats aardig en vaderlijk; als er gestraft moest worden, was hij niet boos maar verdrietig. Bij zijn eerste aanstelling als hulponderwijzer aan de openbare lagere school in Hoofddorp, in 1877, was het kinderwetje ( “het is verboden kinderen beneden twaalf jaar in dienst te nemen of te hebben, tenzij voor huiselijke en persoonlijke diensten of voor veldarbeid” ) nog maar drie jaar oud. De algemene leerplichtwet volgde pas in 1900. Kinderen bestonden hoofdzakelijk om er zo snel mogelijk nuttige arbeidskrachten van te maken.

Boeken voor kinderen waren strikt opvoedkundig; voor avontuur konden ze alleen terecht bij aangepaste, dus gekuiste versies van grote-mensen-boeken uit het buitenland - Jules Verne, Oom Tom, Robinson Crusoe. Kieviet maakte promotie, van Hoofddorp naar Lisse en van Lisse tenslotte naar het Noordhollandse dorp Etersheim, waar hij het bracht tot hoofdonderwijzer op een eenmansschool. Daar kon hij geheel volgens eigen inzichten lesgeven. Er moesten, vond hij, echte kinderboeken komen. En omdat ze niet bestonden, schreef hij ze zelf. Eerst, in 1890, De twee neven en Frans van Dorentil. Die waren nog te bombastisch en te braaf. Pas bij het derde kreeg hij de juiste toon te pakken.

Dat derde heette Uit het leven van Dik Trom. “Moeder was ziek; al sedert vier dagen had zij hevige koortsen, die haar dwongen het bed te houden. Doch hoe ziek zij ook was, toch klopte haar hart van blijdschap, want deze morgen was haar liefste wens vervuld: de goede God had haar een zoon geschonken.” Zo begon het - statige, gesteven taal nog, maar in de hoofdstukken daarna werd het al snel luchtiger en vrolijker. Hij schiep goedmoedige slapstick-situaties, onschuldige kwajongensstreken die altijd gauw weer de goede bedding vonden. Herkenbaar voor de kinderen op zijn school en waarschijnlijk ook buitengewoon grappig. Nu zijn die avontuurtjes voornamelijk vertederend, maar toen moeten ze het effect hebben gehad van de allereerste bananenschil uit de historie van de humor.

PRET

Kieviet, die ogenschijnlijk zo duidelijk partij koos voor de kinderen en tegen het gezag van burgemeesters en veldwachters, gold als pure anarchie. Dat hij tenslotte de bestaande gezagsverhoudingen altijd weer herstelde, deed er niet toe; het was al erg genoeg dat hij er een beetje aan morrelde. Geen wonder, dat hij moeite had er een uitgever voor te vinden. “Niemand durfde het aan”, vertelde hij later. “Men verklaarde mij ronduit voor gek. Uit het leven van Dik Trom zou veel te verderfelijk op de jeugd inwerken. Stel je voor, een jongen, die maling neemt met veldwachters en schoolmeesters! Neen, dat was te bar.” Uiteindelijk bleek de Alkmaarse uitgever P. Kluitman in 1891 bereid te zijn een bescheiden oplage te laten drukken; hij vond het 'een lief boekje' en betaalde de schrijver fl. 75, - “U vond dat toen weinig, terwijl ik meende dat het wel betaald was, “ schreef hij twee jaar later in een brief aan Kieviet, die had geklaagd over de povere betaling. “Ons land is niet groot en de taal is buitenaf onbekend; die grote honoraria, die in 't buitenland betaald worden, kunnen hier niet gegeven worden. Dat kan ik u tenminste verzekeren, dat de kosten der uitgaaf van Dik Trom nog niet gedekt zijn.”

VRIJMOEDIG

Het succes en de reacties van de pedagogische boekbesprekers kwamen pas, toen Kluitman in 1899 een tweede druk liet verschijnen. De eerste was geillustreerd met chromolithografieen in 'bestorven kleuren' (aldus Reinold Kuipers in De hele Bibelebontse berg), de tweede verscheen in een veel kloeker formaat met de vaardige prenten van de grote spotprenttekenaar Johan Braakensiek. De pedagoge Nellie van Kol, een autoriteit op het gebied van kinderboeken, was minstens zo enthousiast over de illustraties als over de tekst: “O, wat had hij een pret, Meneer Braakensiek! Pret in het werk van de Heer Kieviet en pret in zijn eigen tekeningetjes.” De meeste van die schrijvende opvoeders voelden zich gedwongen Dik Trom te verdedigen; zij konden zich heel goed voorstellen dat veel ouders moeite zouden hebben met zoveel vrijmoedigheid, maar zij wezen erop dat deze 'leuke kwajongen' het hart op de goede plaats had - en dat lachen gezond was.

Kieviet was zo onverstandig geweest aan het eind van zijn eerste boek al min of meer een afsluiting te maken. Hij maakte het nog erger door in 1907 als vervolg De zoon van Dik Trom te publiceren. IJlings trad hij op zijn schreden terug en schreef achtereenvolgens Toen Dik Trom een jongen was (1912), Dik Trom en zijn dorpsgenoten (1920), Het tweede boek van Dik Trom en zijn dorpsgenoten (1923) en Avonturen van Dik Trom (1931). Twee daarvan verschenen niet bij Kluitman; diens zuinigheid leidde tot een tijdelijke verkoeling tussen de successchrijver en zijn uitgever.

De manuscripten, bewaard door zijn nazaten, werden in schoolschriften geschreven, in een gelijkmatig schuinschrift met maar weinig doorhalingen. Elke avond zat hij, thuis in Etersheim, te schrijven. Wat er dan in het schrift kwam, moest de volgende dag door de leerlingen van de hoogste klassen aan de kleintjes worden voorgelezen. Kieviet testte daarmee niet alleen zijn verhalen, maar bekwaamde de pupillen tegelijk in het lezen van het schuinschrift. Van hun ouders leerden ze dat niet; die konden vaak niet eens schrijven. Soms kwamen die leerlingen zelf met verhalen bij de meester, ze wisten dat ze dan werden beloond met een nougatblok of een stuk chocolade.

“Vader was een echte romanticus”, zei zijn dochter in deze krant. “Een gevoelig mens die het niet over zijn hart kon verkrijgen een moeder in een van zijn boeken te laten sterven. Hij ging dan zelfs zo ver dat hij de hele opzet van het boek veranderde.” Net als zijn voornaamste schepping, die volgens moeder Trom 'een goed kind' was. Dik was lief voor zijn blinde buurmeisje en voor de heks van de Achterweg. Dat hij appeltjes stal, was een misstap, die door intens berouw werd goedgemaakt. En dat hij de jonge poesjes in de doofpot stopte, was omdat ze het koud hadden - kon hij het helpen dat dat bijna verkeerd afliep?

DIENSTBODE

Kieviet ging wegens suikerziekte met vervroegd pensioen en stierf in 1931, toen hij 73 was. Hij had toen al de eerste toneelbewerkingen van zijn boeken gezien, gespeeld door het Genootschap Kinderamusement van de later in Auschwitz vermoorde volksacteur Ies Monnikendam. De eerste films kwamen pas na de oorlog, totdat cineast Henk van der Linden geen dikke jongetjes voor de hoofdrol meer kon vinden. Dikke jongetjes worden sinds de jaren zestig niet meer geboren of meteen rigoureus afgeslankt. Niemand is meer blij met een dik zoontje; dik staat niet langer gelijk aan leuk en gezellig.

De kleinkinderen, nu van middelbare leeftijd, hebben nog jarenlang de auteursrechten kunnen incasseren. Tot 1 januari 1982; toen was de schrijver vijftig jaar dood en vervielen de rechten. Een ramsj-uitgeverijtje kwam prompt met de omnibus De Dikke Trom, vijf boeken in een band voor een tientje. Van Holkema en Warendorff bracht vorig jaar de complete serie uit, in 'hertalingen' van Suzanne Braam, die de tekst voorzichtig moderniseerde. Ze veranderde een gelaat in een gezicht, maakte van de meid een dienstbode, schrapte de uitdrukking in hemdsmouwen, voorzag het woord baker van een voetnootje en trok omslachtige zinsneden strak. Het was te zorgvuldig gedaan om er erg veel tegenin te brengen. Kluitman, de oeruitgever, kondigt voor dit najaar eveneens een aangepaste versie aan van de oorspronkelijke uitgaven.

Ik herlees Dik Trom. De verhalen spelen zich af in een bezadigd tempo, maar de dialogen zijn levendig gebleven en het inlevingsvermogen van de schrijver dwingt nog steeds respect af. Toch is nu de nostalgische waarde het grootst: het koetshuis van de dokter, het cachot onder het gemeentehuis, het veldwachtersuniform met de blinkende knopen, het achterafweggetje met het geheimzinnige huisje, de sappige weilanden, de slootjes vol kroos en de intense aantrekkingskracht van een gestolen appeltje - zoals ze door Kieviet werden vereeuwigd, zijn ze onweerstaanbaar. Eigenlijk zou het altijd het Dik Trom-jaar moeten zijn.