Aldo van Eyck

Max van Rooy heeft in het Cultureel Supplement van 11 januari wel erg veel woorden nodig om zoiets nietigs als een stadsdeelraadswethouder op zijn plaats te zetten.

In zijn requisitoir 'Een palenwoud tegen parachutisten' neemt hij het op voor het ontwerp dat Aldo van Eyck gemaakt heeft voor een 'pleinplantsoen' op de kruising van de Apollolaan en de Minervalaan. De schuimbekkende reactie van Van Rooy doet vermoeden dat ik een van de laatste taboes van dit land doorbroken heb: het afwijzen van een geesteskind van Van Eyck.

Van Rooys verdediging zit simpel in elkaar: het is een goed plan omdat het van Van Eyck is. Bezwaren tegen de inpasbaarheid wijst hij van de hand. Immers, de bebouwing lijkt volgens hem toch nergens naar. Omdat het een rotzooitje is, moet de deelraad Van Eyck nemen en zich verder nergens mee bemoeien. Maar, Van Rooy, dat is toch geen argument.

Nog meer ergert Van Rooy zich aan 'het zwarte, dreigende paaltjeswoud' langs alle stoepranden. Daar kan ik inkomen. Fraai zijn die paaltjes niet echt, maar ze staan er met volledige instemming van de stichting Mooie Apollolaan en Omgeving om te voorkomen dat de bezoekers van het casino en de Kersentuin de hele omgeving, inclusief het plantsoen, volparkeren.

Nu deze zaak tot nationale proporties dreigt uit te groeien, wil ik graag beklemtonen dat Van Eyck mogelijk een geniaal ontwerp geleverd heeft, maar dat hij hierbij helaas geen rekening heeft gehouden met de omgeving. In de woorden van Van Rooy: “Het is een creatie die op zichzelf staat.”

Dat is dan ook de kern van de bezwaren van de bewoners. Die moeten bij voorbeeld niets hebben van een 'transparant scherm van gekleurde dunne palen', dat bestaat uit 140 palen van 2, 40 meter hoog, geplaatst op een tot 1, 40 meter oplopende terp, waar het temidden van het langsrazende autoverkeer weinig aangenaam verblijven zal zijn. De laan is mooi zoals hij nu is, zeggen de bewoners: groen, open, overzichtelijk. Daarom stelde ik voor om een niet omstreden, betaalbaar en goed passend ontwerp te kiezen, namelijk de oorspronkelijke inrichting uit de jaren dertig, die geheel in de stijl van Berlages Plan Zuid is.

Luistert er eindelijk een locaal politicus naar argumenten van bewoners, is het weer niet goed. Van Rooy stampt ze met plezier de grond in, dat 'stel schreeuwlelijken', die 'haag van ongemotiveerd kabaal van een paar toevallig in de buurt wonende burgers die wars zijn van elk professioneel advies'. Het is duidelijk: Van Rooy heeft het wel op Van Eyck, maar niet op de bewoners - vooral niet als ze er eigen mening op na houden.