Voorspelbare film over Japanse Amerikanen in WO II; Gevangen tussen sake en apple pie

Come See the Paradise. Regie: Alan Parker. Met: Dennis Quaid, Tamlyn Tomita, Sab Shimono, e.a. In 8 theaters.

Lily, Charlie, Harry, Joyce, Dulcie, Frankie, zo heten de kinderen van mr. en mrs. Kawamura. Een blik op de namen is voldoende om te begrijpen dat dit gezin veramerikaniseerd is sinds vader en moeder naar de Verenigde Staten zijn geemigreerd. De kinderen, allen geboren in Amerika, zijn nooit in Japan geweest, ze houden niet van sake en Japans spreken ze nauwelijks; ze zijn kortom Nisei, de tweede generatie van de Japanse immigranten die geen enkele binding heeft met het verre land waar de ouders vandaan komen. Maar hoe Amerikaans waren ze in de ogen van de Amerikanen toen de oorlog uitbrak? Niet eerder heb ik iets over deze kwestie gehoord en het is de verdienste van de Engelse regisseur Alan Parker dat hij zich in zijn nieuwe film Come See the Paradise met deze vraag heeft bezig gehouden, wat je verder ook over het resultaat kunt zeggen.

Parker, die zelf het scenario vo . or de film schreef, maakt duidelijk dat Amerika de Japanse immigranten in de jaren veertig grof en onheus tegemoet is getreden door hen, wegens vermeend gevaar voor collaboratie, op te sluiten in interneringskampen. Deze handelwijze, hoewel niet geheel onbegrijpelijk en in sommige gevallen misschien terecht, was voor veel mensen een bittere ervaring. Het moet een schrijnende toestand zijn geweest en daarmee is het tevens een onderwerp naar Parkers hart.

Come See the Paradise past zonder veel moeite in de rij films die hij eerder maakte en waarin hij dikwijls misstanden en ander leed aan de orde stelde. Zo koos hij in zijn laatste film, Mississippi Burning, de racistische moord van Ku Klux Clan-leden op drie mensenrechten-activisten als uitgangspunt. Maar hoe goed bedoeld zijn films ook zijn, door het nauwelijks verhulde effectbejag schieten ze hun doel voorbij. Ook in Come See the Paradise verlaat Alan Parker zich te veel op gladde plaatjes en hij doet daarbij zo vaak een beroep op de sentimenten van het publiek dat het murw maakt.

In zijn onbedwingbare behoefte de toeschouwer ervan te doordringen hoe onrechtvaardig de Japanners indertijd zijn behandeld, zette hij de film op als een romantische liefdesgeschiedenis tussen het Japanse meisje Lily (Tamlyn Tomita) en Jack McGurn (Dennis Quaid), een Amerikaan van Ierse origine. Hoe retorisch deze opzet is wordt vooral duidelijk als Jack, geconfronteerd met het feit dat zijn vrouw en kind in een Japans kamp zijn ondergebracht, onder de neus krijgt gewreven dat als hij tegen een dergelijk kamp is hij dientengevolge dus ook tegen Amerika is en voor de Japanners in de oorlog.

Aan de hand van flashbacks wordt verteld hoe Jack Lily ontmoet: hij ziet haar voor het eerst als hij werkt voor haar vader (Sab Shimono) in een Japanse bioscoop. We schrijven 1936. Ze krijgen een relatie, in Japanse ogen een ongehoorde gotspe, maar Lily lapt de traditie aan haar laars die wil dat ze trouwt met de door haar vader aangewezen man en in plaats daarvan vlucht ze met Jack; ze trouwen en krijgen al snel een dochtertje.

Pas jaren later, in 1941, ziet Lily de ouderlijke woning terug, net op tijd om er getuige van te zijn hoe agenten van de FBI het huis leeghalen. Even later moet de hele familie op transport om samen met duizenden lotgenoten in houten barakken geinterneerd te worden. De opsluiting is wrang, temeer daar veel schuldeloze burgers een mentaliteitsverandering doormaken: voelden ze zich voor hun vrijheidsberoving meer Amerikaan dan Japanner, in het kamp identificeren ze zich steeds meer en openlijker met het land van hun (voor)ouders. Een van de Kawamura-zoons besluit na de bevrijding zelfs naar Japan te repatrieren.

Het verhaal dat ongetwijfeld stoelt op vergelijkbare historische gebeurtenissen en situaties maakt niettemin een weinig authentieke indruk. Het lijkt bovendien alsof Parker zich niet wezenlijk interesseert voor zijn personages. Hoe is het anders te verklaren dat ze na twee uur nog geen stap nader zijn gekomen? Wat hen precies bezighoudt komen we niet te weten. We zien alleen de buitenkant en die is kitsch. Zo ook het getoonde onrecht, exemplarisch is de scene waarin een kerstman weigert het dochtertje van Jack op schoot te nemen vanwege haar Oosterse uiterlijk.

Dergelijke vette accenten komen veel voor en maken de film voorspelbaar. Natuurlijk is Jacks beroep op begrip voor zijn verhouding met Lily bij vader Kawamura aan dovemansoren gericht ( “Mr. Kawamura, what I can never be is Japanese. But I couldn't love Lily more” ) en al evenmin onverwacht is de uiteindelijke verzoening als de oude man op zijn sterfbed ligt ( “Just love Lily” ).

Geen van de acteurs weet echt raad met de gepolijste rollen, daardoor kun je jeer slechts over verwonderen hoe Tamlyn Tomita als Lily in het vieze, modderige kamp zo mooi en onberispelijk gekleed blijft. Zo erg kan het dus niet zijn is de onwillekeurige gedachte en het gevolg van een en ander is dat alle vreugde en verdriet die van het doek afspat je onberoerd laat. Het lijdt geen twijfel dat Come See the Paradise een vakkundig gemaakte film is, maar helaas is het ook niet meer dan dat. Er worden veel mooie beelden getoond en gouden namiddagen begeleid door romantische muziek, maar daarmee krijgt het verhaal geen diepgang, eerder een larmoyant tintje.

    • Noor Hellmann