Stof van dromen

A. J. Dunning begint zijn als steeds boeiende rubriek, ditmaal getiteld 'De stof van dromen' (W en O 3-1), met een uitstekende parafrase van Hamlets befaamde - maar niet altijd goed begrepen - monoloog. Hij laat zich zo meeslepen door de taal van Shakespeare dat hij er beelden van eigen vinding aan toevoegt. Althans, dat 'eeuwig slapen in de sneeuw van vergetelheid' lijkt me niet authentiek!

Op die inleiding volgt een beschouwing over de zogenaamde 'bijna-doodervaring' of liever, over de verklaringen die wel geopperd worden voor het verschijnsel dat er mensen zijn die verhalen doen over zo'n ervaring. Dat op zichzelf immers bewijst nog niet dat die mensen werkelijk een blik hebben geworpen in 'The undiscover'd country from whose bourn - No traveller returns' - om weer met Hamlet te spreken.

Dunning besluit met een ontroerend voorval uit zijn eigen leven, een soort 'bijna-doodervaring achteraf', waarbij hij nog uit een ander stuk van Shakespeare (The Tempest, naar ik meen) citeert: 'We are such stuff as dreams are made on, and our little life is rounded with a sleep', maar naar mijn gevoel dreigt hij zijn discreet scepticisme daarmee enigszins te versluieren of te relativeren. Ik had liever gezien dat hij, als redelijk man van de wetenschap, krachtiger stelling had genomen tegen die leuterverhalen over kwasi-mystieke belevenissen in een soort kitsch-paradijs. Hij had dan kunnen eindigen met de woorden van Coleridge: 'Stuff of sleep and dreams, and yet my Reason at the Rudder'.

Tot slot een kleine correctie: wie wil weten in welk verband de dichtregel te vinden is 'Men moet niet van het lieve Dood-zijn ijzen', woorden die Dunning aan Boutens toeschrijft, dient niet Boutens op te slaan maar Willem Kloos. Het is een regel uit het bekende sonnet 'De bomen dorren in het laat seizoen' - tragische ironie als men bedenkt met welk een hautaine minachting juist Boutens placht te spreken over de oude, zich in zijn latere gedichten inderdaad eindeloos herhalende Kloos.

    • P. P. J. van Caspel