Schilders zochten hardnekkig de nostalgie van de 'romantische' armoede; Schijnrealisme van het boereninterieur ..'. Het boereninterieur in de Nederlandse schilderkunst in de 19de en 20ste eeuw. T-m 27 jan. in Rijksmuseum Twenthe, Lasondersingel 129-1...

Het Nederlandse 'boerenbinnenhuisje' was in de vorige eeuw een geliefd exportartikel. Vooral in Amerika was er een markt voor schilderijen en schilderijtjes met kleumende omaatjes zich warmend bij een schouw of - zo mogelijk nog stereotieper - berusting uitstralende jonge vrouwen gebogen over een naaiwerkje voor een raam met kleine ruitjes waardoor het licht naar binnen valt. Onveranderlijk heeft de hoofdpersoon een glad mutsje op het hoofd en bijna altijd staat er een wieg naast haar of hangt er een schilderachtig kind aan haar rokken.

Van sommige specialisten in dit genre, schilders als Arthur Briet (867-1939), Hendrik Kever (1854-1922) en Evert Pieters (1856-1932) is bekend dat ze in hun atelier een schouw lieten nabouwen om hun thema in allerlei variaties rustig thuis te kunnen schilderen. Want ironisch genoeg werd de vraag naar boerenbinnenhuisjes groter naarmate deze 'romantische' armoede verdween en boeren en arbeiders het beter kregen. Althans, dit suggereert de catalogus verschenen bij de tentoonstelling '... onbedorven schilderachtige toestanden... ', een coproduktie van drie musea gelegen in streken waar het boereninterieur het meest karakteristiek was en het langst in primitieve toestand heeft bestaan: Twenthe, het Gooi en Brabant.

Nostalgie mag dan misschien de drijfveer zijn geweest voor veel schilders, op de tentoonstelling blijkt dat het de beste kunstenaars helemaal niet in de eerste plaats om de entourage ging. Johannes Bosbooms Boerendeel bij Hilversum, waar ergens in de grote ruimte een boerenfamilie om een tafel zit, had wat sfeer betreft net zo goed een kerkinterieur kunnen zijn. En bij het oudere Twentse echtpaar van Jozef Israels valt het licht meer op de koffiekan, de pijp en het witte mutsje dan op de koeien die op dezelfde deel liggen.

Schijn

Dit schijnrealisme, geintroduceerd door de schilders van de Haagse school die de poezie in de dagelijkse omgeving zochten, blijft zo te zien het kenmerk van alle binnenhuisjes tot in de twintigste eeuw. De tentoonstelling, die voor het eerst een overzicht van dit genre geeft, laat vooral zien hoe vele kleinere en wat jongere meesters met die gevestigde traditie omgingen. Dat de resultaten nogal eenvormig zijn en een bijna saaie tentoonstelling opleveren, is daar inherent aan.

Uitzonderingen vormen, opvallend genoeg, het begin en het einde. Op de heldere, detaillistische werken uit 1820-1830 van Jan van Ravenswaay glanst het koper en tin je op goed zeventiende-eeuwse manier toe en is de slibversiering op de aardewerken schalen en schotels die in de stallen liggen opgestapeld goed herkenbaar. De tijdgenoot, kijker of koper, kreeg een materialistisch en aangenaam tijdsbeeld uit een voor hem vreemde cultuur voorgeschoteld, compleet met details. Ongetwijfeld was dat precies waarin hij geinteresseerd was.

Hetzelfde geldt voor het gepointilleerde Staphorster interieur van Jo Koster uit 1912 waarmee de tentoonstelling eindigt. Ook daarin zou je bij volkskundig onderzoek veel houvast hebben: hier is een bijna voorbije toestand nauwgezet in beeld gebracht. Dat in de eeuw tussen Van Ravenswaay en het pointillisme het grote publiek een voorkeur had voor veel minder realistisch werk, is overduidelijk. Maar de vraag hoe dat kwam en, daarmee nauw samenhangend, hoe groot de rol van de commercie is geweest, hebben de samenstellers van de tentoonstelling niet gesteld. Toch zijn dat de vragen die meer essentieels opleveren dan vage referenties aan 'schilderachtigheid', 'doodgewone' onderwerpen, 'onbedorvenheid' en 'ongereptheid'.

    • Saskia de Bodt