Op overwinnaar rust zware verantwoordelijkheid

NEW YORK, 17 jan. - Men komt zijn hotelkamer binnen, zet de televisie aan, precies op tijd om te horen dat het is begonnen. Op het ogenblik dat dit wordt geschreven, is de oorlog vijf uur oud. Binnen die tijd heeft de toon van de nieuwsuitzendingen zich ontwikkeld van zorg en ernst tot beheerste euforie. De fabrieken voor Saddams kernwapen, zijn bacteriologische en chemische wapens zijn zwaar getroffen en misschien wel uitgeschakeld, lanceerinstallaties voor de gevreesde Scud-raket waarmee Israel moest worden aangevallen, hebben zoveel voltreffers geincasseerd dat er maar een projectiel is afgeschoten, richting Riad, en dat heeft geen schade veroorzaakt. Als er aan Amerikaanse kant verliezen zijn geleden, zijn die vrijwel te verwaarlozen. De aanvallen zullen drie tot tien dagen worden voortgezet, en als het daarbij even very, very successful toegaat als het is begonnen, is Saddam een verslagen man.

Twee uur nadat het eerste nieuws over de aanval bekend was geworden, op een ogenblik dat men al begon te vermoeden dat het uitstekend verliep, verscheen president Bush op de televisie. Hij heeft een uitstekende redevoering gehouden, had daar dan ook vier dagen aan gewerkt, wat voor een historische toespraak niet overdreven is. De argumentatie was, bezien van Westers standpunt, onontkoombaar. Saddam had het weerloze Koeweit verkracht, zijn troepen hebben er beestachtig huisgehouden. Vervolgens is er een coalitie tegen hem gevormd die vrijwel de hele Verenigde Naties omvat. Tot op het laatste ogenblik heeft Saddam alle kansen gekregen, het probleem vreedzaam op te lossen. Intussen was het wel duidelijk geworden dat geweldloze sancties niet tot het gewenste resultaat zouden leiden. Hij mocht niet de kans krijgen zijn heilloze politiek voort te zetten, niet in het bezit van een kernwapen komen. Zijn politieke voortbestaan zou alle landen in het Midden-Oosten en de Westerse wereld ondraaglijk belasten, maar niet minder in Azie en de Derde Wereld worden gevoeld.

Deze oorlog, bezwoer de president, was niet gericht tegen het volk van Irak. Met evenveel klem verzekerde hij dat voor het Amerikaanse volk geen nieuw Vietnam in het verschiet lag. In de loop van twaalf minuten heeft hij met kracht van overtuiging alle vraagstukken besproken die door Saddam in het leven zijn geroepen en door deze oorlog in reusachtige proporties het Amerikaanse leven beheersen. Daarbij maakte hij de indruk volstrekt zeker van zichzelf te zijn, aarzelde nergens, maakte ook geen bezwerende of andere gebaren die zijn optreden zo vaak kenmerken. De president wist wat hij deed en liet ook duidelijk weten waarom.

Dit, gecombineerd met de successen van de eerste aanval, is voor een oorlog een goed begin. Maar kan men over het verloop van zo'n confrontatie oordelen als die vijf uur geleden is begonnen? Als dit voldoende was om de oorlog te beeindigen, zou Bush als een zegenrijke staatsman de geschiedenis ingaan. Maar er blijven belangrijke vragen die in de loop van de komende dagen misschien beantwoord zullen worden op een manier die een domper op de euforie zet.

Na de overweldigende hoeveelheid nachtelijke voltreffers gaat de zon op; de Arabische wereld hoort en leest van de Amerikaanse aanval en beseft dat degene die voor miljoenen Arabieren, ondanks alles wat hij ten beste heeft gegeven, een held en een leider is, door de grote vriend van Israel is vernederd. Niemand weet nog of, en welke stormen dit tot gevolg zal hebben. De Arabische wereld zonder Saddam, of met een half verslagen Saddam, zal volstrekt anders zijn dan die van gisteren, maar het valt niet te voorspellen hoe de Arabische massa's zullen reageren en, als zij zich tegen de 'agressor' keren, hoe lang hun woede dan zal duren. Optimistische Amerikanen houden het op het 'Gaddafi-model'. Nadat hij op initiatief van Reagan was gebombardeerd, heeft men van de Libische leider niet meer noemenswaardig last gehad.

De tweede vraag is of Saddam, na het verlies van zijn modernste wapens - dat nemen we nu aan - zich verslagen zal achten. Hij is er de man niet naar. Het is ook niet waarschijnlijk dat hij het half miljoen soldaten, uitgerust met vijfduizend tanks en deugdelijk geschut, nu zal terugroepen. Door deze eerste slagen vanuit de lucht is hij geenszins machteloos geworden. Het is verre van uitgesloten dat hij zal proberen, de Amerikanen in een landenoorlog te betrekken waaraan onherroepelijk zware verliezen verbonden zijn. De politieke gevolgen daarvan tellen in Irak, op zijn zachtst gezegd, minder zwaar dan in de Verenigde Staten. Het vooruitzicht op een langdurig bloedbad is niet verdwenen.

De derde vraag zal pas op langere termijn kunnen worden beantwoord. Op de overwinnaar rust de verantwoordelijkheid de overwonnenen weer op de been te helpen. Zo is het met Duitsland en Japan gebeurd en zo zou het ook conform de denkbeelden van Bush over een “nieuwe wereldorde” - hij repte er in zijn toespraak van - met de Arabische wereld moeten gaan. De problemen die dat met zich meebrengt - het Arabische zelfbewustzijn, de politieke structuur die ver van de Westerse afstaat, Israel en de Palestijnen - zijn zo groot dat men ze op het ogenblik liever uit de weg gaat. Toch zal dat alles horen tot de erfenis die een gewonnen oorlog met zich meebrengt.

De Amerikanen kunnen niet anders dan deze oorlog onmiskenbaar winnen. Alles wat minder is ondermijnt hun leiderschap en verstoort daardoor nog meer het wankele internationale evenwicht. De oorlog die in de nacht van 16 op 17 januari 1991is begonnen, is niet alleen een confrontatie tussen de coalitie van de Verenigde Naties en een zichzelf overschattende dictator. Het wordt nog een openbaring van gigantische en bijna eindeloze problemen die men voor 2 augustus 1990 in rust en luxe dacht te kunnen laten sudderen.

    • H. J. A. Hofland