Nijmeegs museum commanderie van Sint Jan toont kerkmode; Haute-couture voor bisschoppen

Traditie en mode in de paramentiek, Nijmeegs Museum Commanderie van Sint Jan, Franse Plaats 3, Nijmegen. T-m 17 februari. Ma t-m za 10-17u, zo 13-17 u.

Ook het misgewaad (de kazuifel) is aan mode onderhevig. Dat blijkt op de vorige week geopende tentoonstelling Traditie en mode in de paramentiek in het Nijmeegs Museum Commanderie van Sint Jan. “Paramenten, “ zegt de B. K. P. Stadelmaier, “zijn alle textiele waren waarmee zowel de priester als het altaar worden aangekleed; de soft ware van de eredienst”. De heer Stadelmaier is eigenaar van een statig paramentenatelier in Nijmegen, en uit zijn prive-verzameling is een groot deel van de expositie in de Commanderie van Sint Jan samengesteld. De oudste gewaden die getoond worden dateren van 1500, maar de nadruk ligt op de periode 1930-1990.

Stadelmaier voegde met zijn atelier een nieuwe vorm aan de kazuifel toe, zodat er nu drie grondvormen zijn. Het Romeinse model - rechthoekig, zonder mouwen - is het oudste, daarna kwam het gotische model: rond. En dan, zegt de maker niet zonder trots, komt het model Stadelmaier.

In 1983 kocht het Rijksmuseum Het Catharijneconvent in Utrecht, het museum voor kerkelijke attributen, een rood kazuifel met bijpassende mijter van de firma Stadelmaier. “Dit atelier, ook wel het huis Dior van de kerkelijke mode genoemd, (... ) heeft sedert enige jaren in Nederland en daarbuiten het voortouw bij de vormgeving van de moderne paramentiek”, staat er in de catalogus over deze aankoop. “De ontwerpen laten brede 'mannelijke' kazuifels zien, waar de stola, teken van de priesterlijke waardigheid, overheen hangt. Vooral met dit laatste is Rome, waar men vasthoudt aan de traditionele met de stola eronder, niet gelukkig. (... ) Dit gewaad is in Nederland door de bisschoppen toegestaan en wint steeds meer terrein; in Amerika is het zeer populair bij de geestelijkheid.” “Het Nijmeegs model heet het daar ofte wel Dutch cut” vertelt Stadelmaier. “Het wordt druk geplagieerd door de Amerikaanse concurrenten. Niet zo fijn, maar wel vererend.”

De stola over de kazuifel heen was een revolutie. Stadelmaier: “Vroeger had een kazuifel de versiering op de rug, want de priester stond met de rug naar het volk. Na het concilie is het altaar omgedraaid, de priester ook, de belangrijkheid van het woord is toegenomen, van gebaren, van mensen aankijken en aanspreken. Dat heeft ons geinspireerd tot een ruime kazuifel, van een mooie soepele stof - we weven alle stoffen zelf - die de gebaren accentueert, en waar de stola overheen hangt, als teken van de verkondiging en ter versiering van het gewaad.”

En Rome heeft zich met de creatie verzoend: tijdens zijn bezoek aan Nederland droeg de paus zelf gewaden van het Nijmeegs model. Het is niet het enige stolagevecht in de geschiedenis van Stadelmaier. Toen er steeds meer vrouwen mee gingen doen aan de eredienst, ontwierp hij voor hen ook een speciaal gewaad. Lang, beige, met plooien ( “zodat je geen discussie krijgt over stomme details als haar rok is te kort, of haar jurk is uit de mode. Geef haar een ambtskleed dat haar beschermt en versterkt, dan functioneert ze gewoon goed” ) en daaroverheen een fraai geweven, mogelijk geborduurde... stola? . “Het is duidelijk geen stola”, zegt Stadelmaier met klem. “De katholieke kerk verbiedt dat vrouwen een stola dragen: die is voorbehouden aan priesters en diakens.” Daarom zijn bij dit accessoire de punten aan elkaar genaaid zodat er een V-hals ontstaat. “Het is een pastoraal insigne. Zo hebben we het ook aangemeld bij de Nationale Raad van de Liturgie, en die heeft het goedgekeurd.”

In de jaren dertig waren er wel vijftig paramentenateliers in Nederland. Nu zijn er nog maar drie: twee kleine - een in Den Bosch, een in Tilburg - en Stadelmaier in Nijmegen, waar dertig mensen werken en de omzet jaarlijks ongeveer drie miljoen bedraagt. “Dat atelier, zestig jaar geleden door mijn ouders opgericht, begon met het leveren van stoffen en banden waarmee de nonnen kazuifels in elkaar zetten. Mijn moeder, kunstnaaldwerkster, ontwikkelde speciale technieken en ging zelf ontwerpen. In 1936 kwam de kunstenaar Wim van Woerkom erbij, en ontwikkelde samen met mijn ouders een huisstijl”, vertelt Stadelmaier. “In de oorlog, toen er geen opdrachten waren, gingen ze door, ze hebben heel veel gewaden gemaakt, die mijn vader vlak na de oorlog in Zwitserland verkocht.” Zwitserland, Duitsland en Amerika zijn de grootste afnemers. Nog maar vijftien procent gaat naar Nederlandse pastoors.

De Commanderie toont ook werk van andere Nederlandse paramentenateliers. “Ik wil laten zien hoe Nederlandse ateliers gewerkt hebben. Nederland heeft een unieke plaats in de wereld van de paramentiek, en de verschillen tussen de ateliers zijn markant. Vandaar ook dat er geen borduursters van verdwenen ateliers bij ons terecht zijn gekomen, bij andere ateliers gebruiken ze andere kleuren, andere technieken, dat is nou juist zo typisch van dit vak, “ zegt Stadelmaier.

Hij ontwerpt ook voor personen. Een dierbaar kleinood op de tentoonstelling is de proeflap voor het inwijdingsgewaad van monseigneur Bekkers, die in 1957 bisschop van Den Bosch werd. “Hij had hier al zijn spullen, kazuifel, mijter, schoenen en handschoenen, besteld, en toen hebben we even een proeflap gemaakt om te laten zien hoe het zou gaan worden. Hij was een moderne bisschop, dat kon je toen al zien. Hij droeg een gotisch gewaad, terwijl de andere bisschoppen op de foto nog een Romeins kazuifel droegen.” Ook de televisiekazuifel voor de wekelijkse mis van de KRO, is van Stadelmaier. Die is niet wit maar creme, opdat het bij 10.000 volt niet volledig weggestraald wordt.

Er zijn in de Commanderie alleen rooms-katholieke paramenten te zien. Stadelmaier werkt ook wel voor de protestantse en de Anglicaanse kerk, maar dat is niet zo gemakkelijk, vindt hij. “Dat is een andere kerk, die hebben een andere visie op materiaal en een andere inkleuring.” Zaken als processievaandels en wandkleden zijn eveneens te zien op de expositie.

    • Henriette Bonarius