Megapark van windturbines in IJsselmeer funest voor vogels; Klap van de molen

De bouw van een Megapark met honderden windmolens in het IJsselmeer, zoals voorgesteld door de energiebedrijven van Noord-Holland en Friesland, is uit natuurbeschermingsoogpunt onaanvaardbaar. Dat stelt de Vogelbescherming in een onlangs verschenen onderzoeksrapport. Jaarlijks zullen vele tienduizenden vogels tegen de draaiende wieken een doodssmak maken. Erger nog is dat een groot deel van het vogelrijke IJsselmeer, dat voor vele soorten zelfs van internationale betekenis is, ongeschikt zal worden om er eten te halen of te rusten.

“Kortom, dit kan echt niet, “ zegt Leen de Jong van Vogelbescherming. “ Er gaat een heel stuk leefgebied voor de vogels verloren. Uit onderzoek is duidelijk komen vast te staan dat vogels windmolenparken mijden vanwege het lawaai en de beweging van de wieken en de drukte erom heen door onderhoud en reparatie van de windturbines.”

In mei vorig jaar lanceerden het Provinciaal Energiebedrijf Friesland (PEB) en het Provinciaal Electriciteitsbedrijf van Noord-Holland (PEN) plannen voor grootschalig opwekking van windenergie in het noordelijk deel van het IJsselmeer, dat als Klein IJsselmeer wordt aangeduid. Ook de IJsselmij en de Provinciale Gelderse Electriciteitsmaatschappij zijn bij de planvorming betrokken.

In het Megapark moeten zo'n 260 windturbines komen, met een onderlinge afstand van 260 tot 370 meter en een gezamenlijk vermogen van 250 MegaWatt. Het gaat om middelhoge tot hoge windturbines met een masthoogte van 35 tot 55 meter en een totale hoogte tot 85 meter. Een zo groot park is nog niet eerder gebouwd.

“Vogelbescherming is altijd een warm voorstander van windenergie geweest, “ zegt De Jong. “ We zijn bij diverse projekten betrokken geweest als adviseur. Maar ditmaal gaat het om een projekt van geheel andere orde, met verstrekkende gevolgen.”

Driehoeksmosselen

Het IJsselmeer is met zijn oppervlakte van 1800 vierkante kilometer een van de grootste zoetwatermeren van Europa. Het ondiepe, voedselrijke water, dat zelden geheel dichtvriest, krioelt van leven: plankton, bodemdiertjes, driehoeksmosselen en vis. Jaarlijks strijken er enkele honderdduizenden vogels voor kortere of langere tijd neer. Broedvogels uit de omgeving halen er voedsel, ruiende vogels vinden er rust, weer andere komen er op doortocht of als overwinteraars.

Voor veel soorten watervogels uit de Noordeuropese broedgebieden is het IJsselmeer een wetland van internationale betekenis. Er bestaan voornemens om het onder de Wetlands Conventie van Ramsar te brengen, maar zover is het nog niet gekomen. Op dit moment heeft het gebied geen beschermde wettelijke status.

Toch is het een paradijs voor futen en aalscholvers, knobbelzwanen, allerlei duik- en zwemeenden, ganzen, meeuwen en sterns. Voor veel van deze soorten wordt de zogenaamde 1 procentnorm en vaak zelfs de 10 procentnorm overschreden, hetgeen wil zeggen dat het IJsselmeer voor 1 respectievelijk 10 procent van alle leden van een internationale populatie van belang is. Het gaat, om in horecatermen te spreken, om 6 tot 24 miljoen 'vogeldagen' per jaar.

In het luchtruim boven het water is een drukte van belang. Meeuwen en sterns zijn voortdurend in de lucht om hun kostje bij elkaar te vangen. Ruiende futen die overdag dicht onder de kust verblijven, gaan in de schemering midden op het meer uit vissen. Ganzen en smienten daarentegen slapen juist op het open water en grazen op het land. Bij vorst worden soms drinkvluchten uitgevoerd. Vliegbewegingen worden ook geregeld in de hand gewerkt door verstoring door visserij, beroeps- en recreatievaart en vliegtuigen.

De kans om tegen een windturbine te pletter te vliegen is dan ook niet denkbeeldig. De ornithologe Joke Winkelman heeft daar onderzoek naar gedaan in de proefparken van Sexbierum (Fr.) en Urk.

Meegenomen door katten

Het vaststellen van het aantal vogelslachtoffers is overigens niet eenvoudig. Sommige worden meteen door de klap van de molen gedood en vallen loodrecht naar beneden, andere raken eerst gewond en kruipen weg in een stil hoekje, weer andere worden meegenomen door katten of roofvogels. Om inzicht te krijgen in de vindkans legde de onderzoekster eerst zelf dode vogels uit om ze na 24 of 48 uur terug te zoeken. Hieruit blijkt dat het werkelijke aantal slachtoffers een veelvoud bedraagt van het aantal dat men onder de turbines terugvindt. Op open water vindt men helemaal niets meer terug, het nu gedane onderzoek beperkt zich tot de situatie op het land.

Jaarrondvogels

Leren de vogels niet om beter op te letten?” Het leereffect is waarschijnlijk zeer gering, “ zegt Leen de Jong. “ Voor jaarrondvogels mag je misschien nog wel enig leereffect verwachten, maar de meeste vogels in het IJsselmeer zitten daar maar een paar weken tot maanden. Op trek is zo'n windmolenpark ook moeilijk te mijden. Als er een kleine windturbine staat, kan een koerscorrectie worden uitgevoerd, maar voor een heel park van ettelijke vierkante kilometers gaat dat niet op.”

Ze botsen vooral 's nachts en onder omstandigheden met slecht zicht. Verlichting helpt niet, want die trekt de vogels juist aan, net zoals bij vuurtorens. Bij Oosterbierum bleek vijf procent van de passerende vogels een dodelijke klap tegen een windturbine te maken. Op drukke nachten, waarop soms wel 200 groepen van steeds 300 vogels per uur passeren loopt dat aardig op.

In het IJsselmeer zouden bij een conservatief ingeschatte botsingskans van een procent onder de nachtactieve watervogels 5.000 tot 20.000 slachtoffers per jaar vallen. Uitgaande van een realistischer botsingskans van vijf procent worden dat er 25.000 tot 100.000.

Op de lange duur is het biotoopverlies door verstoring een nog groter probleem. Voor Aalscholvers en duikeenden bijvoorbeeld zal het IJsselmeer weinig aantrekkelijk meer zijn. Bovendien neemt door het uitwijken van visserij en recreatie ook de druk op de rest van het meer toe.

“Als er al windmolens in het IJsselmeer moeten komen, dan zeker niet op deze schaal, “ concludeert De Jong van Vogelbescherming. “ De turbines moeten in elk geval buiten de vaste vliegroutes en ver van de voedsel- en slaapgebieden staan en dan blijft er niet zo gek veel over. Het is een kwestie van grondgebruik. Kijk, een rijtje windmolens kun je altijd wel ergens kwijt op een dijk, maar als je zo'n Megapark wilt aanleggen, kom je in het agrarisch gebied terecht en dan kom je in problemen met de boeren. Dus denkt men uit te wijken naar het water, want dat is vogelvrij.”

    • Marion de Boo