Meer plaatsen nodig in inrichtingen Z-Holland

DEN HAAG, 17 jan. - De capaciteit van de inrichtingen voor zwakzinnigen in Zuid-Holland moet in de jaren negentig worden uitgebreid met 6.300 tot 6.900 plaatsen, een uitbreiding van dertig tot veertig procent. Dit om het aantal wachtenden beperkt te houden en de wachttijd op een tot twee jaar te houden. De uitbreiding heeft alleen effect als ook het personeel navenant zal toenemen.

Dit blijkt uit berekeningen van de Provinciale Raad voor de Volksgezondheid in Zuid-Holland. Door Gedeputeerde Staten was een actualisering gevraagd van de vooruitzichten op het gebied van de zwakzinnigenzorg. Directeur dr. T de Vries van de Raad heeft de afgelopen jaren herhaaldelijk voorgerekend welke noodsituaties zullen ontstaan binnen de zwakzinnigenzorg wanneer de overheid haar beleid niet wijzigt.

De Raad maakt zich vooral zorgen over het vinden van personeel de komende jaren. Op dit ogenblik is een verplegende beschikbaar voor anderhalve bewoner. Als de huidige ontwikkeling doorzet, zal die verhouding over tien jaar een op tweeeneenhalf bedragen. Volgens de Raad is de situatie bij gezinsvervangende tehuizen niet veel anders dan in de inrichtingen voor zwakzinnigen. In gezinsvervangende tehuizen zou de capaciteit in de komende tien jaar met 35 tot 40 procent moeten toenemen, een totaal van 4.600 tot 5.100 plaatsen.

Wat het personeel betreft geldt hier dezelfde noodsituatie als in de inrichtingen, zo stelt de Raad. Het aantrekken van laag opgeleid personeel lijkt geen belangrijke oplossing te bieden voor de capaciteits- en personeelsproblemen. Bij het huidige aanbod zijn echte oplossingen zelfs niet aan te dragen. Wel meent de Raad dat de deskundigheid van het personeel zal moeten veranderen met het oog op de vergrijzing in de instellingen.

In de periode 1985 tot 1990 nam het aantal wachtenden voor een plaats in een zwakzinnigeninrichting met bijna zestig procent toe. Door inmiddels gerealiseerde uitbreiding is de toename van de wachttijd beperkt gebleven, van 2, 8 tot 3, 1 jaar. Bij de gezinsvervangende tehuizen is de wachtlijst tussen 1985 en 1990 met 57 procent gestegen.

Bij de kinderdagverblijven zijn er volgens de Raad weinig echte problemen, als het gaat om capaciteit, aantallen wachtenden en wachttijden. Niettemin waarschuwt de Raad dat snel problemen kunnen ontstaan door nieuwe ontwikkelingen waarover nog maar weinig betrouwbare gegevens beschikbaar zijn.

Zo zal er een grotere druk komen van kinderen uit culturele minderheden. In Den Haag bijvoorbeeld behoort een op de twee kinderen die daar geboren worden tot deze groep. Daarnaast is er de invloed van de medische technologie: doordat er meer mogelijkheden zijn kinderen met gebreken in leven te houden zal het aantal zwakkeren onder hen stijgen. Ook veranderingen in het milieu hebben naar verwachting gevolgen voor het aantal kinderen met intelligentie-stoornissen. In de literatuur wordt de groei van het speciaal onderwijs onder meer verklaard uit een verband tussen milieufactoren (lood) en intelligentie. Ten slotte is de afgelopen jaren sprake van een geboortegolf - een 'mini baby boom' - waardoor ook het aantal verstandelijk gehandicapten zal toenemen.