Maisplanten roepen sluipwesp te hulp bij aanval van rupsen

Jonge maisplanten beschikken over een subtiel mechanisme om zich tegen rupsenvraat te verdedigen. Als een maisblad wordt aangeknaagd, komen daaruit binnen enkele uren grote hoeveelheden vluchtige stoffen vrij, die een speciale geur verspreiden. Op die geur komt een bepaald soort sluipwesp af, die als natuurlijke vijand van deze rupsen optreedt. Dat biedt de maisplant bescherming.

De sluipwesp in kwestie (Cotesia marginiventris) kiest de rups Spodoptera exigua uit om haar eitjes in te leggen. Eenmaal uit het ei gekropen vreten de larven zich een weg door de rups heen. Diens eetlust wordt daardoor ernstig verzwakt, het vervellen lukt niet meer en de rups gaat dood.

Volgens de Nederlandse onderzoeker Ted Turlings, inmiddels werkzaam op het Laboratorium voor insektenbiologisch Onderzoek in Florida, is het frappant dat deze vluchtige stoffen (die hij identificeerde als terpenoiden) niet vrijkomen als proefplanten langs kunstmatige weg worden beschadigd, tenzij men ze tegelijkertijd insmeert met het spuug van de rupsen. Wordt een onbeschadigd blad met rupsespuug ingesmeerd dan gebeurt er niets. Kennelijk gaat het om de combinatie van beide zaken.

Al eerder was in Wageningen aangetoond, dat ook roofmijten gebruik maken van plantaardige signaalstoffen om hun natuurlijke prooi, de spintmijt op te sporen. Voor rupsen is deze ontdekking nieuw. Turlings vermoedt, dat dit mechanisme ook bij andere insekt-plant relaties van belang is. Door in speciale proefopstellingen, vliegtunnels, uit te zoeken hoe sluipwespen precies op planten reageren hoopt men ze breder inzetbaar te maken als biologische bestrijders van plagen in de land- en tuinbouw. Het idee is, om gewassen bijvoorbeeld met zulke geurstoffen, die meestal wel synthetisch kunnen worden gemaakt, te besproeien om sluipwespen aan te lokken. Of men zou nieuwe rassen kunnen kweken, die deze stoffen van nature in hogere mate maken. Bovendien is bekend, dat het zeer specifieke 'zoekgedrag' van parasitaire sluipwespen ten dele in hun jeugd wordt aangeleerd. Men kan daar rekening mee houden door de beestjes al in de opkweekfase aan de geurstoffen bloot te stellen, voordat ze in land- of tuinbouw worden losgelaten.

In dit geval lijkt dat alles echter geen perspectief te bieden, want op onbeschadigde maisbladeren blijken de geurstoffen niet aantrekkelijk te zijn.

    • Wim Köhler