Instituties

Van Simone de Beauvoir is de uitspraak bekend: “Geen enkele vrouw zou gerechtigd mogen zijn om thuis te blijven en de kinderen op te voeden, want als er een dergelijke keuzemogelijkheid bestaat, zullen er veel te veel vrouwen gebruik van maken.” In Amerika, waar de gemiddelde tijd, die ouders aan kinderen besteden, teruggelopen is van dertig uur per week in 1965 tot zeventien uur in 1990, lijkt haar wens nu in vervulling gegaan te zijn.

Voordat ik in Amerika woonde, had ik een tamelijk optimistisch beeld van dat land, waar het de vrouwenemancipatie betreft: ruim twee keer zo veel vrouwen werkten er buitenshuis als in Nederland, en dat waren geen spek en bonen-parttime-baantjes, maar het ging wel degelijk om full-time werk. Weliswaar kreeg een vrouw maar tweederde van het geld dat een man voor vergelijkbaar werk kreeg, maar dat was een kwestie van tijd en doordrammen, voordat dat rechtgetrokken zou worden. Hoe ik erbij kwam, weet ik niet, maar ik had het idee dat de kinderopvang in Amerika veel beter geregeld was dan in Nederland, waar een kind al voor de conceptie op de wachtlijst geplaatst moet worden, wil het een kansje maken op een plaats in de creche.

Hoeveel er ook in Nederland geklaagd wordt over gebrekkige voorzieningen, in Amerika is het allemaal nog veel erger. Het feit dat hier zoveel vrouwen werken heeft niets met zelfontplooiing of het kiezen voor een eigen carriere te maken; het gebeurt voornamelijk uit bittere noodzaak: in de middenklasse om de hypotheek en het schoolgeld voor de kinderen te kunnen betalen, in de lagere economische klasse is het nodig voor kleren en ander levensonderhoud. Van overheidswege gesubsidieerde kinderdagverblijven zijn er nauwelijks, particuliere wel, maar een beetje goede (hygienisch; mogelijkheid om buiten te spelen; niet teveel kinderen in verhouding tot de leidsters) kost al snel vijftienduizend gulden per jaar.

Uiteindelijk heeft de bevrijding van de vrouw uit haar jaren-vijftig-kluisters van de huishouding, koffiedrinken met buurvrouwen, met de kinderen eendjes voeren in het park en een weefcursus geleid tot een slavenbestaan. Werken om de levensstandaard op peil te houden, zo niet werken om uberhaupt te overleven in het geval van alleenstaande moeders, en dan nog het huishouden in de vrije uurtjes. Het kostwinnerschap, het principe dat een salaris toereikend moet zijn om een gemiddeld gezin te onderhouden, is in Amerika al jaren geleden verlaten, niet uit ideologische overwegingen maar de facto: de lonen zijn achtergebleven bij de prijzen en zonder een tweede inkomen redden ook de meeste middenklasse-gezinnen het niet meer. In de topregionen van de beroepenmarkt geldt geen noodzaak voor een extra inkomen, maar daar staat tegenover dat vrouwen, die zich daar uit ambitie en niet uit financiele nood willen handhaven, heel hard moeten werken om er niet uitgeconcurreerd te worden.

Of je nu arm bent of rijk (de middengroep moet alle zeilen bijzetten in Amerika om niet richting arm af te zakken), het leven is er voor vrouwen die ook moeder zijn niet plezieriger op geworden. Altijd maar haasten en jachten. Voor dag en dauw op om de kinderen aan te kleden, ontbijt te geven en ze naar een dagverblijf te transporteren. Als de baby zijn luier volpoept, wanneer hij net in zijn gewatteerde sneeuwpak is gehesen, kan dat voor een vertraging zorgen die die dag niet meer ingehaald wordt. Te laat komen op het werk geeft gedonder. Thuis blijven vanwege een ziek kind kan alleen door het opnemen van vakantiedagen. Meer dan tien vakantiedagen per jaar zijn er niet te vergeven. Part-time werk wordt niet aangemoedigd en betaalt bovendien niet genoeg.

De val, waar Amerikaanse vrouwen met jonge kinderen nu in opgesloten zitten, is naargeestiger dan ooit. Er zijn geen keuzemogelijkheden. Er moet gewerkt worden. Met de echtgenoot - indien aanwezig - marchanderen over allebei in deeltijd werken heeft geen zin, want mannen verdienen al dertig procent meer dan vrouwen, dus het zou wel erg onverstandig zijn om die relatief goedbetaalde uren in te leveren. Een beroep doen op familieleden of buren is onmogelijk in zo'n super-individualistische maatschappij - bovendien woont oma doorgaans niet in dezelfde stad, laat staan in dezelfde buurt. Een betrouwbare kinderoppas aan huis is duurder dan een kinderdagverblijf, en dan mag je nog blij zijn als zich iemand aandient die niet uitsluitend Spaans spreekt, maar ook een beetje Engels.

Dus wordt het een institutie. Een andere oplossing is er niet. Vanaf dat de zuigeling twee maanden is en het zwangerschapsverlof is afgelopen, wordt hij of zij uitbesteed voor veertig tot vijftig uur per week. En als de tijd voor het kleuterschooltje is aangebroken (een volgende institutie), is er van drie tot zes een na-schooltijd-kinderopvang. Zeventien uur per week blijft over voor ouders en kind om zich met elkaar te onderhouden, waarvan de meeste tijd heengaat met wassen, eten geven, in bed leggen en het geplande voorleeskwartiertje. Een beetje ongericht lanterfanten in elkaars nabijheid is er niet bij.

Een groot deel van het leven wordt in instituties doorgebracht: gebouwen die niet je eigen huis zijn en waar je naartoe moet om iets nuttigs te doen en waar ook altijd anderen rondhangen. Scholen, kantoren, gevangenissen, ziekenhuizen, bejaardenoorden, kerken - niemand ontkomt er helemaal aan. Het is niet altijd erg. Sommige mensen gaan graag naar hun werk. Er zijn genoeg kinderen die graag naar school gaan. Dienstplichtigen hebben de tijd van hun leven, psychiatrische patienten hospitaliseren, gevangenen leggen zich erbij neer en bejaarden durven hun tehuis niet meer uit.

Toch vraag ik me af of die kleintjes het wel zo leuk vinden om het grootste deel van hun wakend bestaan in een institutie door te brengen. Ik gok van niet. Liever zitten ze natuurlijk thuis om zich te koesteren in de beschikbaarheid van mama of papa, of oma of een vertrouwd iemand die in conversaties gewoonlijk als 'parel' wordt aangeduid. Drie of vier institutieloze jaren, waarna ze er voor de rest van hun leven tegenaan kunnen - het wordt de kinderen niet gegund, en hun moeders of vaders ook niet trouwens.

Botsingskans

    • Beatrijs Ritsema