Einde Koude Oorlog maakte strijd mogelijk

ROTTERDAM, 17 jan. - Irak was lange tijd een hechte bondgenoot van de Sovjet-Unie. In 1972 sloten de twee landen een verdrag voor vriendschap en samenwerking, dat de basis was voor enorme Sovjet-wapenleveranties aan Bagdad. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog was het een automatisme dat de Sovjet-Unie de zijde koos van alle landen die afstand namen van, of zich vijandig opstelden tegenover, de Verenigde Staten en de Amerikaanse bondgenoten. Zo schaarde Moskou zich bij voorbeeld in 1982 aan de kant van de Argentijnen, toen zij de Falklandeilanden aanvielen.

Keerpunt

Onder president Gorbatsjov is aan dit politieke automatisme een einde gekomen. De hopeloze strijd in Afghanistan, die 13.000 Sovjet-militairen het leven kostte, de noodzaak om rust te krijgen aan het internationale front teneinde noodzakelijke binnenlandse hervormingen tot stand te brengen en de behoefte aan economische steun van het Westen droegen bij tot de koerswijziging in Moskou. 'Het nieuwe denken' deed in de buitenlandse politiek zijn intrede. “Dat nieuwe denken houdt in dat we een Spa een Spa noemen en agressie agressie, zelfs als een van onze vrienden daarvoor verantwoordelijk is”, zei een hoge Sovjet-functionaris nog onlangs.

Zonder die koerswijziging in het buitenlands beleid van de Sovjet-Unie zou het ingrijpen van de Amerikaanse, Britse en Saoedische luchtmacht de afgelopen nacht tegen Irak ondenkbaar geweest, omdat zoiets ten tijde van de Koude Oorlog tot een rechtstreekse confrontatie tussen Russen en Amerikanen had geleid, met het gevaar van een kernoorlog op wereldschaal.

Een lijn

Al direct na de Iraakse inval in Koeweit trokken de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten een lijn. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, ging onmiddellijk in Moskou op bezoek bij zijn Sovjet-collega Sjevardnadze om de klokken gelijk te zetten. Twee dagen na de inval deden de twee landen een beroep op alle landen om de wapenlevenranties aan Irak stop te zetten. Sovjet-adviseurs in Irak zetten hun activiteiten aanvankelijk weliswaar nog gewoon voort, maar een poging van Saddam Hussein, begin september, om door een missie naar Moskou van minister van buitenlandse zaken, Tareq Aziz, een wig te drijven tussen de twee grote mogendheden, mislukte jammerlijk.

Tijdens hun topconferentie in Helsinki op 11 september kwamen de Amerikaanse president Bush en zijn Sovjet-collega Gorbatsjov met een gemeenschappelijke verklaring waarin zij uitspraken dat de tijd nog niet was aangebroken om met geweld een einde te maken aan de Iraakse invasie. Vragen over een militaire oplossing ging Bush toen nog stelselmatig uit de weg: “Dat zou te hypothetisch zijn.”

Veelzeggend was verder het feit dat Moskou medio september na vijftig jaar de betrekkingen met Saoedi-Arabie herstelde. Op 29 november schaarde de Sovjet-Unie zich achter resolutie 678 van de Verenigde Naties waarin werd vastgelegd dat na 15 januari geweld zou kunnen worden gebruikt als de Irakezen dan niet goedschiks zouden zijn vertrokken. Toen was de tijd rijp voor een dreigement waarvoor in september in Helsinki het moment nog niet was aangebroken.

Sjevardnadze

Enige tijd leefde in het Westen de vrees dat het aftreden van minister Edoeard Sjevardnadze, die de belangrijkste verpersoonlijking was van het nieuwe buitenlandse beleid en die een goede persoonlijke verstandhouding met zijn Amerikaanse collega Baker had ontwikkeld, zou leiden tot een koerswijziging in het beleid. Vooral in het leger en in de conservatieve vleugel van de communistische partij leeft een grote weerzin tegen de door Gorbatsjov en Sjevardnadze ontwikkelde beleid en bestaat in principe nog altijd steun voor de oude strijdmakker Saddam Hussein. Maar Sjevardnadzes opvolger, Aleksandr Bessmertnich, verklaarde afgelopen dinsdag in het parlement over de dreigende Golfoorlog: “Er zijn zaken waarin een compromis niet mogelijk is. We steunen de resolutie van de Verenigde Naties.”

Op de vraag van conservatieve parlementsleden of hij niet van oordeel was dat de Verenigde Staten in feite hun eigen doeleinden nastreven in de Golf, antwoordde de nieuwbakken minister, die tot aan zijn benoeming ambassadeur in Washington was: “Natuurlijk doen ze dat. Maar wij hebben ook onze eigen belangen in de regio. Maar de twee mogendheden kunnen gezamenlijke belangen samen verdedigen.”

    • Herman Amelink