Depressies

Soms kan een eerste zin de gedachten een kant op laten gaan die de schrijver-schrijfster vast niet bedoeld heeft. Bij het lezen van de column 'Vrouwen, depressies en al het ander ongeluk' van Beatrijs Ritsema in W en O van 3 januari jl. dacht ik meteen: “ Geld verdienen is een mannenziekte. Twee keer zoveel mannen als vrouwen lijden eraan, een gegeven dat telkens weer terugkomt in studies naar het voorkomen van depressieve klachten.”

De vraag die nl. gesteld moet worden is: Is depressiviteit wel een ziekte, een lijden dat verlicht zou kunnen en zou moeten worden? Natuurlijk is een depressie geen lolletje, het brengt mensen zelfs tot zelfmoord en dat lijkt, zeker in het geval dat het min of meer impulsief gebeurt, ongewenst. Maar voor we aan het gladstrijken beginnen, waar komt de oneffenheid vandaan? (Waar die voorkomt, is tamelijk uitputtend behandeld door de door B. R. genoemde APA National Task Force).

Om te beginnen komt depressiviteit zo veel voor, althans in ontwikkelde landen, dat het wel heel gek zou zijn als een depressie niet een mechanisme zou zijn dat voor het individu een zekere nuttige functie zou vervullen. In dit verband zou ik de klassieke woorden van Janis Joplin willen citeren: “ Freedom's just another word for nothing left to lose.” (Vrijheid is alleen maar een ander woord voor niets meer te verliezen hebben.)

Wat een depressie bewerkstelligt, is ongetwijfeld een toestand waarin je 'niets meer te verliezen hebt'. Dat levert nu juist vrijheid van handelen op, in het extreme geval om zelfmoord te plegen, maar vooral om die dingen te doen (of alleen te denken) die de rolpatronen waar je aan onderhevig bent verbieden. Het keurslijf van verwachtingen van jezelf en van je omgeving kan zo afgelegd worden, een gaatje losser komen te zitten, voor kortere of langere tijd. De omstandigheden waaronder depressies veel voorkomen, wijzen sterk in deze richting. Het lijkt erop dat het menselijk organisme zoveel behoefte heeft aan vrijheid van handelen, dat de diep-ongelukkige gevoelens die bij een depressie horen er tegenop wegen.

Als B. R. schrijft: “ Elke nieuwe depressie-patient kan niet anders dan met vallen en opstaan behandeld worden”, dan lijkt mij daarbij het vallen (in de put) het belangrijkst. De voor de hand liggende conclusie is dat het vinden van een alternatief voor de bevrijdende werking van een depressie essentieel is voor een eventuele behandeling.

Als dat voor vrouwen en mannen gelijkelijk opgaat, is er dan nog sprake van ideologisch onderzoek?

    • Ouderkerk aan den Amstel
    • Dr.Ir. Joop M. Houtkooper