A. Apostolou; Ik vraag me af of al dat papierwerk wel nodig is

Door onze redacteur Ward op den Brouw

Sinds de verkiezingen van september 1989 telt de Tweede Kamer 32 nieuwkomers. Sommigen kenden het Binnenhof van zeer nabij, anderen slechts van verre. Wat waren hun ambities, wat werden hun frustraties. Vandaag als derde in een serie de PvdA'er A. (Thanasis) Apostolou (44) uit Odijk, voorheen directeur van het Centrum Buitenlanders in Utrecht en cursusleider bij Kerk en Wereld.

DEN HAAG, 17 jan. - Het Tweede-Kamerlid Apostolou is geen hemelbestormer. “Ik had niet de illusie dat je hier zaken kan veranderen of geweldige dingen kan doen. Je bent vooral bezig met het uitwerken van hoe je een idee het beste kan droppen. Dat is zelfs belangrijker dan het idee. Waar moet je zijn, hoe moet je het idee naar voren brengen. In dat spel probeer ik me te roeren.”

Voor hij op weg ging naar het vraaggesprek, had zijn vrouw hem nog gezegd: “Je gaat toch weer niet vertellen dat je uit dat Griekse dorpje hoog in de bergen komt?” In het begin van zijn Kamerlidmaatschap werd in de pers veel aandacht besteed aan zijn Griekse afkomst. Achteraf was al die publiciteit misschien een beetje te veel van het goede, geeft hij nu toe. Zelfs op de dag dat hij door het PvdA-gewest Utrecht definitief op een verkiesbare plaats werd gezet, stond hij prominent in een landelijk ochtendblad. Die dag pikte ook het half zes-journaal zijn aanstaande verkiezing op, anderhalf uur voordat de voor Apostolou beslissende gewestvergadering begon.

“Ik heb me toen gerealiseerd dat het door die publiciteit ook mis had kunnen lopen. Je kan de indruk wekken dat je pusht, net doet alsof je er al bent. Ze hebben me toen ook gewaarschuwd: 'Daar moet je mee oppassen, zoiets kan ook een averechts effect hebben'. Je kunt zo'n interview natuurlijk weigeren, maar daar ben je dan weer te ijdel voor.”

Helemaal nieuw was de Tweede Kamer niet voor Apostolou. Als voorzitter van de landelijke PvdA-commissie etnische groepen kwam hij maandelijks op het Binnenhof. “Ik kende het gebouw, een aantal Kamerleden en ook met de procedures was ik wel een beetje bekend.” Dat nam niet weg dat hij tijdens zijn eerste 'optredens' als Kamerlid, in een mondeling overleg, een uitgebreide commissievergadering of bij een interpellatie in een plenair debat, “zeer zenuwachtig” was. “Men kijkt naar je en gaat daarop reageren. Dat is toch wel spannend.”

Typische beginnersfouten kan Apostolou zich niet herinneren. “Daar krijg je als lid van een grote fractie weinig kans voor. Je wordt fouten bespaard door collega's. Als je bijvoorbeeld mondelinge vragen wil stellen, bespreek je dat in het wekelijkse actualiteitenoverleg, voorafgaand aan de fractievergadering. Bovendien heeft iedere nieuwkomer een mentor die je in de gaten houdt.” Voordat hij in de fractie belandde kreeg hij meer tips dan waarschuwingen mee. Dat hij bijvoorbeeld meteen duidelijk moest maken op welke terreinen hij aan de slag wilde. Dat is hem aardig gelukt, vindt hij zelf. Hij vertegenwoordigt de PvdA in de Kamercommissies minderheden, binnenlandse zaken, jeugdwelzijn en ontwikkelingssamenwerking.

Maar weinig Kamerleden raken aangenaam opgewonden van de stapels nota's en andere stukken die ze tot zich moeten nemen. Dat geldt ook voor Apostolou. “Ik vraag me af of dat allemaal wel nodig is, al dat papierwerk. Ik vind dat we terug moeten naar de essentie en ons tot de hoofdzaken moeten beperken. Er komen nu te veel details op ons af. Er zou minder gelezen moeten worden waardoor er meer tijd vrijkomt om met mensen uit de praktijk te praten. Je krijgt naar verhouding veel te veel informatie vanuit de ambtenarij.”

Apostolou is blij dat hij niet met handen en voeten aan het Binnenhof is gebonden. De leden van de kleine fracties benijdt hij allerminst. “Die komen de Kamer niet uit maar rennen van de ene vergadering naar de andere. Dan reageer je bijna uitsluitend op wat je leest.” De Kamerleden zouden ook meer gezamenlijk het land in moeten trekken, meent Apostolou. “Op het moment dat minister De Vries zegt dat er in de metaal behoefte is aan werknemers die moeten worden geworven in het buitenland, zou je met z'n allen - inclusief minister - naar de Rotterdamse haven moeten om te zien of dat nou wel klopt. “

De enigen die stomverbaasd reageerden op zijn verkiezing tot Tweede-Kamerlid waren zijn familieleden, die bijna allemaal in Griekenland wonen, het land dat hij in 1971 enige tijd na zijn theologiestudie verliet. “Hoe kan dat nou? Hoe ben je in die kringen terechtgekomen, vroegen ze zich af. Je moet daar namelijk over geld beschikken om gekozen te kunnen worden, dus uit de beter gesitueerde kringen komen”, aldus de PvdA'er, die uit een familie van landarbeiders stamt.

Hij kan zich niet voorstellen dat hij het in zijn vaderland ooit tot Kamerlid zou hebben gebracht. “Ik zou me daar moeilijk thuis voelen. Behalve tijdens de laatste drie maanden vorig jaar is er nooit een coalitie geweest, altijd regeerde een partij. Binnen partijen zie je in tegenstelling tot hier in Nederland een enorme hierarchie. Als de partijtop een beslissing neemt, moet je die volgen. Ik heb een te grote afstand van die cultuur genomen om daar in mee te kunnen.”