NOM bepleit hogere investeringspremie in noordelijke provincies

GRONINGEN, 16 JAN. De criteria voor het toekennen van een Investerings Premie Regeling moeten worden herzien. Van de IPR in haar huidige omvang gaat nauwelijks een stimulerende werking uit. Per project wordt slechts een marginaal bedrag aan subsidie aan bedrijven uitgekeerd. Dit zei directeur drs. A. van der Hek van de Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij (NOM) gisteren in Groningen op een persconferentie.

Van der Hek doelde op de landelijke IPR-regeling waarvoor het rijk een bedrag van 140 miljoen heeft uitgetrokken. Een IPR-subsidie kan worden aangevraagd door bedrijven die meer dan vier miljoen gulden willen investeren in uitbreiding van hun produktiecapaciteit of in een nieuwe vestiging. In dat laatste geval kan er 25 procent subsidie, in het eerste 15 procent subsidie worden verkregen.

De NOM-directeur vroeg zich af of de IPR de subsidie is waar bedrijven op zitten te wachten. “Het belang van de IPR is per project marginaal. Het effect van de 'kleine IPR' die door de provincies wordt uitgekeerd is groter”, aldus de NOM-directeur. De NOM adviseert het ministerie van Economische Zaken over de landelijke IPR-aanvragen. In 1990 zijn vijftien IPR-aanvragen uit het Noorden voor een bedrag van achttien miljoen gehonoreerd. Het jaar daarvoor waren het zestien projecten met 20, 5 miljoen aan premie. “Maar vergelijken we deze cijfers met de totale investeringsbedragen waarop de aanvragen betrekking hebben, dan rijst ernstige twijfel aan de stimulerende werking van de IPR.”

In 1989 hadden de 22 ingediende aanvragen betrekking op een investeringsbedrag van 507 miljoen gulden. In 1990 ging het om zestien aanvragen over een totaal investeringsbedrag van 471 miljoen. Volgens Van der Hek gaat het grootste deel van het geld dat in Nederland voor IPR-premie beschikbaar is aan de neus van het noorden voorbij: 60 procent van het beschikbare bedrag komt volgens hem terecht bij bedrijven in Zeeland, Brabant en Limburg. “Het is dan ook noodzakelijk dat deze criteria nog eens onder de loep worden genomen”, aldus van der Hek. Op dit moment komt een bedrijf in aanmerking als het kan aantonen dat het levensvatbaar is, doordat de solvabiliteit 25 procent is van het totale balanstotaal. Tevens is er de eis dat er alleen een premie wordt uitgekeerd als de capaciteit met twintig procent wordt vergroot.

Niet bekend

De NOM-directeur zei dat bedrijven in het noorden een zekere terughoudendheid te zien geven in het nemen van investeringsbeslissingen. De rentestand speelt hier volgens hem een rol. “We nemen signalen waar dat de ondertoon is dat de ontwikkeling in de industrie enorm afzwakt. Hoe het met de zakelijke dienstverlening op dit punt staat kan ik niet overzien.” Overigens is er op dit vlak geen verschil tussen het noorden en de rest van Nederland, aldus Van der Hek.