Journalistiek in oorlog: niet anders dan anders

De lange aanloop naar een dreigende oorlog in de Golf heeft duidelijk gemaakt dat de waarheid al dood en begraven kan zijn lang voor het eerste schot is gelost. De beelden van geavanceerd wapentuig, de berichten over bacteriele, chemische en ronduit magische strijdmiddelen en het enthousiasme dat soldaten, burgers en parlementariers aan de dag leggen voor de heldendood en tenslotte ook de rapporten over het gebrek aan medicijnen in kinderziekenhuizen hebben dat aangetoond. Al die 'informatie' die de laatste maanden uit Bagdad kwam, maakte onderdeel uit van het strategospel dat de Iraakse dictator met zijn tegenstanders speelt. Ze is bedoeld om angst dan wel medelijden op te wekken en is doorgaans perfect geregisseerd.

Saddam Hussein is echter niet de enige die zich van dit soort methoden bedient. De Amerikanen kunnen er ook wat van. Toen half augustus de eerste troepen in Saoedi-Arabie landden, werden de media onmiddellijk voorzien van beeld en geluid om duidelijk te maken dat men hier in hoog tempo een perfect getrainde en zwaar bewapende vechtmachine aan het uitpakken was. Maar in werkelijkheid waren veel van de gefilmde transportvliegtuigen half leeg. Het handjevol commando's dat in die eerste weken tegenover de Irakezen in de woestijn kwam te liggen, was bovendien slechts van lichte wapens voorzien en begrijpelijkerwijs doodsbang. Ook is het Pentagon in de laatste fase van het vanmorgen afgelopen VN-ultimatum, ruwweg sinds de jaarwisseling, opmerkelijk scheutig geweest met inlichtingen over de vernietigingskracht van de nieuwste Amerikaanse wapensystemen en over de meest waarschijnlijke tactiek in geval van oorlog: namelijk eerst bombarderen tot in Bagdad en pas betrekkelijk laat grondtroepen inzetten, zodat de eigen verliezen tot een minimum worden beperkt.

Ook deze informatieverstrekking diende een welomschreven, tweeledig doel: afschrikken en geruststellen. Dat Amerika Irak niet is, blijkt gelukkig uit het gezamenlijke protest dat de vier grote televisiemaatschappijen, gesteund door hoofdredacteuren van de Washington Post en Time Magazine hebben aangetekend tegen de beperkingen die hun verslaggevers in Saoedi-Arabie worden opgelegd. Hun is door de legerleiding verboden om zonder militaire begeleiding te reizen als ook om soldaten naar veel meer dan hun naam, hun leeftijd en hun woonplaats te vragen. Verder mogen ze geen informatie geven over de omvang en de locatie van troepen. Wanneer de legerleiding meent dat slechts een beperkt aantal journalisten tot bepaalde plekken kan worden toegelaten, kiest zij zelf uit wie meegaat en wie niet. Alle filmopnamen en alle artikelen moeten worden goedgekeurd voor ze naar de VS mogen worden doorgestuurd.

ZELFCENSUUR

“Censuur!”, roepen de Amerikaanse media. “Veiligheidsmaatregelen in het belang van onze soldaten”, vinden de generaals die jonge officieren waren toen hun leger de oorlog in Vietnam verloor. Of, volgens de geldende doctrine aan de militaire academies: niet zozeer verloor als wel verhinderd werd om te winnen, door gebrek aan steun vanuit de politiek en tegenwerking in de media.

In Vietnam bestonden voor verslaggevers nauwelijks belemmeringen. “We werden met helikopters naar ieder slagveld gevlogen en weer terug; we konden zien en filmen wat we wilden”, zei de prominente Amerikaanse CBS-televisiereporter Ted Koppel vorige week in een gesprek met het weekblad Der Spiegel. Als er al censuur was in Vietnam dan was dat zelfcensuur, voortkomend uit de kameraadschap tussen soldaten en journalisten en wat - vooral in het begin van de oorlog - gezien werd als het nationaal belang. De vrijheid die de media naderhand steeds gretiger gingen benutten, was te danken aan het ontbreken van een officiele oorlogsverklaring (de enige wettige basis voor censuur) en aan een zekere naiviteit van de kant van de militairen. Ze wisten niet precies wat de beelden van stervende GI's in de Amerikaanse huiskamers teweegbrachten: niet in de eerste plaats bewondering voor heldenmoed, maar vooral twijfel aan de noodzaak van zoveel opofferingen.

Bij de recente operaties in Grenada en Panama liet het Pentagon zien wat het van de Vietnam-ervaring had geleerd. In het eerste geval werd de pers pas toegelaten toen de strijd volledig gestreden was en bij de gevechten rondom het Kanaal werd domweg censuur ingesteld zonder dat er een oorlogsverklaring was uitgegeven. Dat zal in het Midden-Oosten nu niet gaan, al was het alleen maar omdat de oorlog hier geen verrassing zal zijn en er dus ruim de tijd is geweest om de regels voor verslaggeving te bespreken.

De Amerikaanse media hebben gevraagd om “dezelfde afspraken als in Vietnam”. Zelfs als de legerleiding daarmee akkoord was gegaan, had dat in de praktijk nog niet veel verschil gemaakt als niet ook de faciliteiten zouden worden geleverd die de verslaggevers destijds genoten. Voor transport zijn ze immers geheel van militaire medewerking afhankelijk en een reportage begint met de fysieke bereikbaarheid van het onderwerp.

Koppel wijst er op dat legervoertuigen zijn cameramensen in Saoedi-Arabie onlangs nog met alle plezier naar plekken vervoerden waar niets aan de hand was. “Maar toen wij een paar weken later naar de commandanten gingen en zeiden: 'Volgens brieven die wij hebben gekregen zijn de medische voorzieningen nog volstrekt ontoereikend, wij zouden daar graag eens te velde naar willen kijken' - toen was het meteen afgelopen met de medewerking.” Met andere woorden: de oorlogscorrespondent heeft het op dit moment niet voor het kiezen en straks al helemaal niet. Als de militaire autoriteiten alleen glimmende vliegtuigen en zingende soldaten willen laten zien en geen druppel bloed, dan geeft hij alleen dat aan zijn publiek door - en anders niets.

Koppel komt uit de harde Amerikaanse school die van mening is dat journalisten in de eerste plaats zoveel mogelijk feiten moeten aandragen. Naar zijn mening hoort de interpretatie daarvan elders thuis: in aparte kolommen, op straat en in het parlement en naar zoiets hoogdravends als 'de waarheid' mogen de historici later op zoek. Hij loopt daarmee wel heel makkelijk voorbij aan de verantwoordelijkheid die de meeste berichtgevers wel degelijk voelen voor de gevolgen van hun werk. Een verantwoordelijkheid die volgens de hoofdredacteur van het Engelse dagblad The Daily Telegraph en tijdens de Falklandoorlog oorlogscorrespondent voor zijn krant, dient te worden bepaald door “begrip voor de nationale belangen voor de natie waar men deel van is”. Volgens hem is het de plicht van een verslaggever om soms feiten te verzwijgen als daar door de autoriteiten om wordt gevraagd.

Zo maakt hij zich er al bijna net zo makkelijk van af als zijn Amerikaanse collega, wanneer hij er zonder meer vanuit gaat dat wat die autoriteiten doen en laten altijd in overeenstemming is met het door hem zo makkelijk van stal gehaalde begrip 'nationaal belang'.

Wie zegt dat de waarheid in het midden ligt, heeft doorgaans niet goed nagedacht. Maar ingeval van oorlog valt er best iets voor deze klassieke dooddoener te zeggen. De Amerikaanse drang om alle nieuws te brengen 'that's fit to print' en het Engelse verantwoordelijkheidsgevoel jegens koningin en vaderland, vormen immers geen absolute tegenstellingen. Het zijn twee met elkaar verbonden kanten van dezelfde zaak.

VERANTWOORDELIJKHEID

Het brengen van nieuws is de taak van de verslaggever evenals het aan de dag leggen van verantwoordelijkheidsgevoel. Het maken van een afweging op het moment dat die twee voor tegenstrijdige impulsen zorgen, is nu precies het werk van de journalist en is werk dat hij niet uit handen mag geven. Noch aan het kapitaal in de persoon van de uitgever, noch aan de politiek. En al helemaal niet aan de militaire censuur.

Het probleem van verslaggeving in oorlogstijd lijkt uitzonderlijk omdat er zulke grote belangen (mensenlevens) op het spel staan. In wezen is het slechts een verhevigde versie van een kwestie waar de journalist ook in de sufste vredesomstandigheden mee te maken heeft, namelijk de vraag van de legitimering van zijn maatschappelijke activiteit. Als hij zijn werk behoorlijk doet komt hij immers regelmatig in aanvaring met wat wettig gekozen bestuurders als 'nationaal belang' aanmerken. Als hij er daarbij toe overgaat om gebruik te maken van stukken die door de autoriteiten als 'vertrouwelijk' of 'geheim' zijn aangemerkt, overtreedt hij zelfs bewust de regels van het bestel. Overheidsdienaren hebben immers wel degelijk het recht om bepaalde informatie niet openbaar te maken. De inbreuk die de journalist daarop maakt is niet te rechtvaardigen met een verwijzing naar algemene beginselen, zoals de persvrijheid, maar alleen door de inhoud van het gepubliceerde bericht, door het gewicht van de zaak zelf.

Volgzaam

De laatste keer dat de Nederlandse pers te maken had met een oorlogssituatie waarin het Nederlandse leger was betrokken, was tijdens de 'politionele acties' in Indonesie. Verslaggevers te velde liepen toen opgetogen aan de leiband van de regering ( “Bericht naar wens, meneer Drees?” ). Het is sterk de vraag of het ook toen te pas en te onpas aangehaalde 'nationaal belang' op de lange duur inderdaad gediend is geweest met hun volgzaamheid.

Er is inmiddels wel het een en ander veranderd in de verhouding tussen gezagsdragers en burgers in ons land, maar de braafheid bij onze couranten en bij radio en tv is nog altijd niet geheel verdwenen. Als het gaat om de berichtgeving over de best betaalde functionarissen van ons land, de leden van het koninklijk huis, lijkt het zelfs of het in Nederland altijd oorlog is.

Bij het uitbreken van gevechten in de Golf zullen de Nederlandse marineschepen onder Amerikaans commando komen te staan. Hun personeel zal wel niet in de voorste linies strijden, maar risico's loopt het evengoed. Vermoedelijk om het Nederlandse volk daarover niet al te zeer te verontrusten en om Nederlandse journalisten de hier boven beschreven worsteling van hun Amerikaanse en Engelse collega's te besparen, heeft het kabinet niet bedongen dat vertegenwoordigers van de Nederlandse media deel gaan uitmaken van de pools die over het verloop van de oorlog zullen berichten. Het spaart een hoop kopzorgen maar blijft een treurig en aanvechtbaar besluit.

Wel wapens leveren maar voor informatie aangewezen zijn op de tweede hand - dat zou, bij alle onenigheid over het hoe en waarom, in de VS in ieder geval ondenkbaar zijn. Waarmee eens te meer wordt bewezen hoe uiteenlopend, zelfs onder bondgenoten en op hetzelfde moment, de opvattingen kunnen zijn over de inhoud van het begrip 'nationaal belang'.

    • H. M.Van den Brink