'Ik hoop dat de wijsheid alsnog zal zegevieren'

Onderstaand de tekst van de laatste oproep van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Javier Perez de Cuellar, gisteravond, 15 januari 1991, in New York, aan het adres van de Iraakse leider Saddam Hussein.

“Terwijl 15 januari op zijn eind loopt en de wereld balanceert tussen oorlog en vrede, doe ik een dringende oproep aan president Saddam Hussein de weg van de catastrofe te verlaten en een nieuwe weg in te slaan, die van rechtvaardigheid en harmonie, gebaseerd op de principes van het Handvest van de Verenigde Naties.

Al onze pogingen in die richting zullen falen tenzij Irak zijn bereidheid wil tonen de resoluties van de Veiligheidsraad, te beginnen met resolutie 660, op te volgen. Indien hieraan wordt voldaan, indien duidelijke en wezenlijke stappen worden gezet om deze resoluties na te komen, zal een gerechtvaardigde vrede, met al zijn voordelen, het gevolg zal zijn. Daarom roep ik president Saddam Hussein op zonder verder uitstel, te beginnen met de totale terugtrekking van de Iraakse troepen uit Koeweit.

Wanneer hiermee een duidelijk begin is gemaakt, kan ik hem verzekeren, op basis van informatie die ik op het hoogste niveau van regeringen heb ontvangen, dat noch Irak noch zijn strijdkrachten zullen worden aangevallen door degenen die zich hebben geschaard in de internationale coalitie tegen zijn land.

Voorts, na het begin van de terugtrekking, zal ik, als secretaris-generaal van de Verenigde Naties, met instemming van alle betrokken partijen en van de Veiligheidsraad, bereid zijn onmiddellijk waarnemers van de Verenigde Naties in te zetten, en, indien noodzakelijk, VN-troepen sturen om de terugtrekking te garanderen en te voorkomen dat op de grond vijandigheden tot uitbarsting zullen komen.

Als aanvulling daarop zal ik in overeenstemming met de resoluties in de Veiligheidsraad erop aandringen het besluit sancties tegen Irak op te leggen te herzien. Ook zal ik het proces aanmoedigen van terugtrekking van alle buitenlandse troepen die zich in het gebied bevinden. Vrede in de regio vereist dat alle problemen rechtvaardig en onpartijdig worden opgelost, in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties.

Ik geef de duidelijke verzekering, opnieuw verkregen van de hoogste regeringsniveaus, dat tegelijkertijd met de oplossing van de huidige crisis al het mogelijke zal worden gedaan, op een alomvattende wijze, het Arabisch-Israelische conflict, inclusief het Palestijnse vraagstuk, aan te pakken. Hiervoor zal ik mij ten volle inzetten.

Zoals ik gisteravond in de Veiligheidsraad heb gezegd, is een ieder van ons zich bewust van de ernst van de beslissingen die in de komende tijd moeten worden genomen. Niemand, geen enkel land, kan zich zonder een bezwaard hart verlaten op de andere “noodzakelijke middelen”, zoals bedoeld in Resolutie 678, in de wetenschap dat tragische en onvoorspelbare gebeurtenissen het gevolg zullen zijn.

Ik hoop dat onder de huidige omstandigheden wijsheid en staatsmanschap alsnog zullen zegevieren in alle windstreken zodat we op overtuigende wijze een conflict kunnen voorkomen. In mijn oproep aan president Saddam Hussein, vandaag, wil ik hem laten weten dat ik al mijn capaciteiten wil aanwenden om met hem en met alle anderen samen te werken om dit doel te bereiken.

In het tiende en laatste jaar van mijn ambstermijn als secretaris-generaal van de Verenigde Naties is er geen zaak die mij een grotere bevrediging zou schenken dan het oplossen van de crisis in het Midden-Oosten in zijn geheel om zo op weg op te gaan naar rechtvaardige en duurzame vrede.

Er is geen grotere, tragischer teleurstelling denkbaar dan te eindigen met een wereld waarin landen zijn verwikkeld in een conflict dat geen van hun volkeren wil.''